Rb. Roermond 3 november 2010, ECLI:NL:RBROE:2010:BO2819

De verplichting tot afgifte van DNA-materiaal ter bepaling en verwerken van het DNA-profiel van veroordeelden en opname daarvan in de DNA-databank is door de wetgever gelegitimeerd en vastgelegd in de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden. Slechts in bijzondere gevallen (art 2 lid 1 van de Wet) kan daarvan worden afgeweken. Het afnemen van DNA celmateriaal, het bepalen van het DNA-profiel en de opname daarvan in de DNA-databank kan voor veroordeelde verstrekkende gevolgen hebben. Voor veroordeelden is het dan ook van belang dat de door de wetgever in de Wet en het Besluit DNA-onderzoeken in strafzaken neergelegde waarborgen strikt worden nageleefd. Dit klemt temeer nu de wetgever geen sancties heeft gesteld op het niet naleven van deze procedurevoorschriften. De rechtbank is van oordeel dat de officier van justitie bij de in de Wet opgelegde verplichting, afname van DNA-materiaal te bevelen, zorgvuldig de in de Wet en in het Besluit DNA-onderzoek in strafzaken gestelde procedureregels dient na te leven. Nu de officier van justitie de procedureregels niet heeft nageleefd is de rechtbank van oordeel dat het bezwaarschrift gegrond dient te worden verklaard en dat het afgenomen celmateriaal vernietigd dient te worden.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen