Rb. Roermond 16 november 2005, ECLI:NL:RBROE:2005:AV1976

Hoger beroep tegen een beschikking waarbij aan een getuige, politie-infiltrant, de status van "bedreigde getuige" is verleend. Uit de stukken blijkt de rechtbank dat de politie-infiltrantzich bedreigd voelt en waarom hij zich bedreigd voelt. De rechtbank acht het op grond van vorengenoemde passages ook niet onbegrijpelijk dat de getuige zich bedreigd voelt en vreest voor het leven, de gezondheid en/of de veiligheid dan wel de ontwrichting van het gezinsleven of het sociaal economisch bestaan. De door de verdediging aangegeven gevolgen van deze status kunnen niet bepalend zijn voor de vraag of de status al dan niet moet worden toegekend. De gevolgen van de status van bedreigde getuige zijn wel van belang bij de invulling rondom het horen van de bedreigde getuige. Uitgangspunt is dat zowel aan de gewaarborgde rechten van de verdediging, te weten het ondervragingsrecht van de verdediging, als aan de legitieme belangen van de getuige recht moet worden gedaan. Er moet sprake zijn proportionaliteit: een redelijke verhouding tussen het te dienen belang en het gebruikte middel dient niet meer inbreuk te maken dan strikt noodzakelijk is. De bedriegde getuige zal bij het verhoor dusdanig geschminkt worden dat zijn gelaatsuitdrukkingen voldoende kenbaar zijn. Bovendien zal het verhoor plaatsvinden in het bijzijn van de verdediging, zodat de verdediging en de rechter-commissaris zich een beeld kunnen vormen van het non-verbale gedrag en de gelaatsuitdrukkingen van de getuige tijdens het verhoor. De rechtbank is van oordeel dat op deze wijze niet meer inbreuk op het ondervragingsrecht van de verdediging wordt gemaakt dan strikt noodzakelijk is en dat een redelijke afweging van belangen heeft plaatsgehad. Volgt ongegrondverklaring van het hoger beroep.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen