Rb. Overijssel 12 oktober 2026, ECLI:NL:RBOVE:2026:6125

Deze uitspraak gaat over de aan eiser opgelegde verplichting om een inburgeringslening van € 10.000,- terug te betalen aan de Dienst Uitvoering Onderwijs die handelt namens de minister. Eiser is het niet eens met deze verplichting. Zij voert daartoe aan dat zij een asielstatushouder is, dan wel daarmee gelijk moet worden gesteld en dat het terugvorderen van de inburgeringslening tegenstrijdig is met het doel van de Wet inburgering 2013. De rechtbank oordeelt dat de minister op goede gronden heeft besloten dat eiser als gezinsmigrant de inburgeringslening moet terugbetalen. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Tekst

RECHTBANK OVERIJSSEL
Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: ZWO 22/763
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], uit [woonplaats],
(gemachtigde: mr. T. der Bedrosian),
hierna: [eiser]
en
de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (de Dienst Uitvoering Onderwijs),
hierna: de minister.

Samenvatting

1 Deze uitspraak gaat over de aan [eiser] opgelegde verplichting om een inburgeringslening van € 10.000,- terug te betalen aan de Dienst Uitvoering Onderwijs die handelt namens de minister. [eiser] is het niet eens met deze verplichting. Zij voert daartoe aan dat zij een asielstatushouder is, dan wel daarmee gelijk moet worden gesteld en dat het terugvorderen van de inburgeringslening tegenstrijdig is met het doel van de Wet inburgering 2013. Aan de hand van hiervan beoordeelt de rechtbank of de minister terecht heeft beslist dat [eiser] de lening moet terugbetalen.

1.1 De rechtbank oordeelt dat de minister op goede gronden heeft besloten dat [eiser] als gezinsmigrant de inburgeringslening moet terugbetalen. [eiser] krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Feiten en procesverloop

2.1 [eiser] is vanaf 27 oktober 2018 inburgeringsplichtig in de zin van de Wet inburgering 2013 (Wi). Zij heeft een lening aangevraagd voor haar inburgeringstraject.

2.2 Met het besluit van 19 april 2019 heeft de minister een lening verstrekt van maximaal € 10.000,- aan [eiser] voor zolang zij inburgeringsplichtig is.

2.3 [eiser] heeft binnen de gestelde inburgeringstermijn haar inburgeringsdiploma ontvangen.

2.4 Met het besluit van 19 november 2021 (het primaire besluit) heeft de minister aan [eiser] de verplichting opgelegd om vanaf 1 mei 2022 de lening van € 10.000,- terug te betalen.

2.5 Met het besluit van 15 maart 2022 (het bestreden besluit) op het bezwaar van [eiser] is de minister bij het primaire besluit gebleven.

2.6 [eiser] heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.

2.7 Bij brief van 17 april 2023 heeft de rechtbank aan partijen laten weten onderhavige zaak aan te houden totdat het Hof van Justitie (hierna: het Hof) de prejudiciële vragen heeft beantwoord over de verenigbaarheid van de Wet inburgering 2013 (Wi) met de Europese Kwalificatierichtlijn.

2.8 Het Hof heeft de prejudiciële vragen beantwoord bij arrest van 4 februari 2025, Keren (ECLI:EU:C:2025:52) en de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) heeft vervolgens op 9 juli 2025 uitspraak gedaan (ECLI:NL:RVS:2025:3087).

2.9 De rechtbank heeft partijen vervolgens verzocht aan te geven wat deze rechtspraak volgens hen betekent voor de onderhavige zaak. Bij brieven van 7 en 12 augustus 2025 heeft de minister hierop gereageerd.

2.10 De rechtbank heeft het beroep op 10 september 2026 op zitting behandeld. Hierbij was de minister aanwezig, vertegenwoordigt door R.E.J. Jansen.

Beoordeling door de rechtbank

3 De rechtbank toetst of de minister op goede gronden heeft besloten dat [eiser] verplicht is de inburgeringslening van € 10.000,- terug te betalen. Zij doet dat aan de hand van het beroepschrift van [eiser].

3.1 De voor de uitspraak relevante regelgeving is te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
Moet de inburgeringslening worden terugbetaald?
4. [eiser] voert aan dat zij een asielmigrant is, althans als zodanig moet worden gezien en dat zij daarom in aanmerking komt voor kwijtschelding van de terugbetalingsverplichting. Verder is het terugvorderen van de inburgeringslening volgens haar tegenstrijdig met de bedoeling van de Wi: zo snel mogelijk participeren in de Nederlandse maatschappij. Met het behalen van haar inburgeringsdiploma binnen de gestelde termijn heeft [eiser] aangetoond dat zij dit doel wil bereiken, dat kan echter niet met hoge schulden door de terugvordering. Het bestreden besluit is in strijd met het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel omdat de minister kort en gestandaardiseerd heeft gemotiveerd en geen rekening heeft gehouden met de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland (ECLI:NL:RBNHO:2021:4721) waarin de minister in het ongelijk is gesteld inzake het terug te betalen leenbedrag bij geringe overschrijding van de inburgeringstermijn.
5. De minister stelt zich op het standpunt dat [eiser] niet in aanmerking komt voor kwijtschelding van de inburgeringslening omdat zij geen asielstatushouder is en ook geen verblijfsvergunning heeft als gezinslid van een asielstatushouder. Volgens de minister bestaat er een gerechtvaardigd onderscheid in de regelgeving tussen asielstatushouders en overige inburgeringsplichtigen.
6. De rechtbank overweegt hierover het volgende.

6.1 In artikel 16, derde lid, van de Wi staat dat de lening voor de inburgering moet worden terugbetaald. De wetgever heeft uitzonderingen gemaakt op grond waarvan de lening niet hoeft worden terugbetaald. In artikel 4.1a, derde lid, van het Bi staat dat asielstatushouders en nareizende gezinsleden vrijgesteld zijn van terugbetaling van de lening voor inburgering.

6.2 De rechtbank stelt vast dat [eiser] een gezinsmigrant is (géén asielstatushouder) en dat bovengenoemde vrijstelling dus niet voor haar geldt. Zij heeft namelijk een reguliere verblijfsvergunning en haar verblijf is ook niet gebaseerd op dat van een asielstatushouder. Haar referent, [naam], was op het moment van het verlenen van de verblijfsvergunning aan [eiser] geen asielstatushouder meer vanwege naturalisatie.

6.3 In de uitspraak van de Afdeling van 9 juli 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:3087 r.o. 10.5) staat dat uit het arrest Keren volgt dat het Nederlandse systeem waarbij asielstatushouders al dan niet via een lening zelf de volledige kosten van inburgeringscursussen en -examens dragen, in strijd is met de Kwalificatierichtlijn. Dit geldt echter niet ten aanzien van gezinsmigranten, zo blijkt uit de uitspraak van de Afdeling van 27 mei 2026 (ECLI:NL:RVS:2026:3045 r.o. 5.3 en 5.4). Gezinsmigranten bevinden zich in beginsel namelijk niet in dezelfde positie als asielstatushouders. Daarom mogen lidstaten van gezinsmigranten andere verwachtingen hebben en van hen verlangen dat zij de kosten voor hun inburgeringscursus betalen. In zoverre is de terugbetalingsverplichting voor gezinsmigranten niet in strijd met het Unierecht.

6.4 Terugvordering van de inburgeringslening van een gezinsmigrant als [eiser] is naar het oordeel van de rechtbank dan ook gerechtvaardigd. Dat een onderscheid in regelgeving tussen asielstatushouders en gezinsmigranten gerechtvaardigd is en niet tegenstrijdig is met de bedoeling van de wetgever blijkt ook uit de memorie van toelichting bij de Wi.

6.5 De rechtbank volgt [eiser] ook niet in haar stelling dat het bestreden besluit in strijd is met het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel. De minister heeft in het bestreden besluit namelijk toegelicht dat [eiser] volgens hem een gezinsmigrant is en door [eiser] zijn geen specifieke bijzondere omstandigheden aangevoerd waar de minister op had moeten reageren.

6.6 De rechtbank komt dan ook tot de conclusie dat de minister op goede gronden heeft besloten dat [eiser] de inburgeringslening moet terugbetalen.

Conclusie en gevolgen

Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat [eiser] geen gelijk krijgt. [eiser] krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. V.P.K. van Rosmalen, rechter, in aanwezigheid van

mr. B.A.G. Bulte, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op

griffier rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Wet inburgering 2013

Artikel 16

1 Onze Minister verstrekt op aanvraag een lening aan de inburgeringsplichtige indien is voldaan aan bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te stellen regels omtrent de voorwaarden waaronder en de wijze waarop de lening wordt verstrekt en omtrent het volgen bij een cursusinstelling van een cursus die opleidt tot het inburgeringsexamen, of een diploma, certificaat of ander document, bedoeld in artikel 5, eerste lid, onderdeel c. Aanspraak op een lening bestaat niet of niet langer voor de inburgeringsplichtige die na het verstrijken van de termijn bedoeld in artikel 7a, eerste, lid, of de met toepassing van artikel 7a, derde lid, of bij of krachtens artikel 8, eerste lid, aanhef en onderdeel a, gestelde regels verlengde termijn de participatieverklaring niet heeft ondertekend.

[…]

3 De inburgeringsplichtige of gewezen inburgeringsplichtige betaalt de lening vermeerderd met de volgens bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te stellen regels berekende rente terug.

4 Bij of krachtens de in het eerste lid bedoelde algemene maatregel van bestuur worden tevens regels gesteld omtrent:

a. de hoogte van de lening;

b. de betaling en de terugbetaling van de lening, en

c. kwijtschelding.

Besluit inburgering (zoals dit besluit gold tot 1 januari 2022)

Artikel 4.1a

1.Aan de inburgeringsplichtige kan, behoudens het bepaalde in artikel 16, tweede lid, van de wet op aanvraag een lening van ten hoogste € 10.000,– worden verstrekt ten behoeve van de kosten voor:

a.het volgen van een cursus die opleidt tot de in artikel 7, tweede lid, onderdelen b en c, van de wet bedoelde onderdelen van het inburgeringsexamen of het staatsexamen Nederlands als tweede taal I of II als bedoeld in artikel 7.3.1, eerste lid, onderdeel c, van de Wet educatie en beroepsonderwijs;

b.het afleggen van het staatsexamen, bedoeld in onderdeel a, of het inburgeringsexamen; of

c.het volgen van een alfabetiseringscursus.

2 De hoogte van de lening wordt bepaald aan de hand van de hoogte van het overeenkomstig artikel 8, eerste, tweede, derde en vijfde lid, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen te berekenen toetsingsinkomen van de inburgeringsplichtige en diens partner als bedoeld in artikel 3 van die wet.

3.Het tweede lid is niet van toepassing op de inburgeringsplichtige, bedoeld in het eerste lid, die rechtmatig verblijf heeft op grond van een:

a.verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd; of

b.verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, verleend onder een beperking verband houdend met verblijf als familie- of gezinslid, voor verblijf bij:

1°.een houder van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd,

2°.een houder van een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd, of

3°.een houder van een EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen die is verleend met een aantekening inzake internationale bescherming als bedoeld in artikel 45c, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.

4.De lening ten behoeve van het volgen van een cursus wordt slechts verstrekt indien de inburgeringsplichtige een cursus volgt bij een cursusinstelling die in het bezit is van een certificaat als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de wet of een keurmerk als bedoeld in artikel 12a, eerste lid, van de wet.

5.De lening wordt niet verstrekt, indien de inburgeringsplichtige op grond van artikel 4.1 zoals dat luidde voor het tijdstip van inwerkingtreding van het besluit van 25 september 2012 tot wijziging van het Besluit inburgering en enkele andere besluiten in verband met de versterking van de eigen verantwoordelijkheid van de inburgeringsplichtige (Stb. 2012, 432) een lening is verstrekt en deze nog niet geheel is terugbetaald of kwijtgescholden.

6.Bij regeling van Onze Minister kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de toepassing van het eerste, tweede en vierde lid.

Artikel 4.13

1 De schuld kan op verzoek van de inburgeringsplichtige door Onze Minister in bij regeling van Onze Minister aan te wijzen gevallen geheel of gedeeltelijk worden kwijtgescholden.

2 […]

3 Aan vreemdelingen als bedoeld in artikel 4.1a, derde lid, die op of na 1 januari 2013 inburgeringsplichtig zijn geworden, wordt volledige kwijtschelding van de schuld ambtshalve verleend indien:

a. het participatieverklaringstraject, bedoeld in artikel 7, tweede lid, onderdeel a, van de wet, is afgerond en de onderdelen van het inburgeringsexamen, bedoeld in artikel 7, tweede lid, onderdelen b en c, van de wet, zijn behaald;

b. een vrijstelling van de inburgeringsplicht van toepassing is op grond van artikel 5 van de wet; of

c. ontheffing is verleend van de inburgeringsplicht als bedoeld in artikel 6, eerste tot en met derde lid, van de wet.

4 De kwijtschelding, bedoeld in het derde lid, wordt slechts verleend indien de omstandigheid, bedoeld in onderdeel a, b of c, zich heeft voorgedaan binnen de termijn, genoemd in artikel 7a, eerste lid, van de wet respectievelijk de termijn, genoemd in artikel 7b, eerste lid, van de wet of de met toepassing van artikel 7a, derde lid, van de wet respectievelijk artikel 7b, derde lid, van de wet of de bij of krachtens artikel 8, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van de wet verlengde termijn.

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken