Rb. Overijssel 15 januari 2026, ECLI:NL:RBOVE:2026:154
Deze uitspraak gaat over de sluiting van de woning van eiseres in verband met het bezit van handelshoeveelheden soft- en harddrugs. Het beroep is ongegrond. De rechtbank komt het oordeel dat de burgemeester bevoegd was om de woning voor de duur van drie maanden te sluiten en dat hij ook gebruik heeft kunnen maken van deze bevoegdheid. De woningsluiting is niet in strijd met het evenredigheidsbeginsel. De burgemeester kon niet volstaan met een minder ingrijpend middel. De sluiting was nodig om de bekendheid van de woning in het drugscircuit te doorbreken en de woning aan de keten van drugshandel en drugsgebruik te onttrekken. De sluiting is ook niet onevenwichtig. De burgemeester heeft de belangen die zijn gediend met de sluiting van de woning zwaarder kunnen laten wegen dan de nadelige gevolgen van de sluiting voor eiseres en haar kinderen. De burgemeester heeft voldoende rekening gehouden met de belangen van de minderjarige dochter en de omstandigheden dat Ieder1 de huurovereenkomst heeft ontbonden en dat eiseres gedurende een bepaalde periode geen sociale huurwoning kan huren in de omgeving van haar woonplaats. De sluiting is ook niet in strijd met artikel 3 van het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind.
De uitspraak op rechtspraak.nl