Rb. Overijssel 20 oktober 2023, ECLI:NL:RBOVE:2023:4150
Beslissing op het hoger beroep van de officier van justitie tegen de beslissing van de rechter-commissaris van niet-ontvankelijkverklaring in een vordering ex artikel 181 Sv. Het draait om een vordering van de officier van justitie ex artikel 181 Sv, ingediend om de rechter-commissaris onderzoekshandelingen te laten verrichten aan financiële/bankgegevens, ter filtering van geheimhoudergegevens. De rechter-commissaris heeft de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard, omdat een wettelijke grondslag voor de vordering ontbrak en de rechter-commissaris ten onrechte in deze fase bij het vooronderzoek is betrokken. Artikel 181 Sv biedt de officier van justitie wel een -algemene- grondslag voor het indienen van een vordering met het oog op de opsporing van een strafbaar feit. De officier van justitie is ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard, het hoger beroep is in zoverre gegrond. Het vooronderzoek bestaat uit verschillende stadia, die waarvan artikel 126aa Sv het sluitstuk is en waarin de officier van justitie wettelijke bevoegdheden heeft en die van artikel 98 Sv, waarin de rechter-commissaris wettelijke bevoegdheden heeft. In onderhavige zaak gaat het om een vordering ex artikel 126nd Sv verbonden met artikel 126aa, zodat volgens de wet niet de rechter-commissaris maar de officier van justitie bevoegd is om te toetsen of zich geheimhouderstukken bevinden tussen de verkregen informatie. De uitspraak van het Europese Hof van Justitie in de zaak Prokuratuur maakt het voorgaande niet anders. Het hoger beroep is ongegrond voor het overige.
De uitspraak op rechtspraak.nl