Rb. Overijssel 10 mei 2023, ECLI:NL:RBOVE:2023:1739
Kort geding, opheffing beslag. Eiseres in kort geding heeft een verstekvonnis in een bodemprocedure tegen gedaagde ten uitvoer gelegd. Gedaagde is tegen het verstekvonnis in verzet gegaan, en heeft daarbij een tegenvordering ingesteld. Op grond van die tegenvordering heeft gedaagde beslag laten leggen op de executieopbrengst van de hiervoor genoemde tenuitvoerlegging. Eiseres in dit kort geding vordert opheffing van het door gedaagde gelegde beslag omdat zij van mening is dat gedaagde partij te laat in verzet is gegaan, waardoor zij niet-ontvankelijk zal worden verklaard en de tegenvordering waarvoor beslag is gelegd datzelfde lot treft. Daarnaast is de vordering volgens eiseres summierlijk ondeugdelijk en heeft eiseres voldoende zekerheid gesteld. De voorzieningenrechter wijst de vordering tot opheffing af. De voorzieningenrechter is voorshands – kort gezegd – van oordeel dat eiseres onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat gedaagde te laat is met haar verzet. Vervolgens gaat het om de vraag of er voldoende grond is voor het gelegde beslag. Dat is naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter het geval. Met hetgeen eiseres tegen de vordering van gedaagde heeft ingebracht heeft zij onvoldoende aannemelijk gemaakt dat van een summierlijk ondeugdelijke vordering kan worden gesproken. Ten slotte heeft eiseres onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de door haar aangeboden te stellen zekerheid, in de vorm van een bedrag in depot dan wel een bankgarantie, gedaagde evenveel zekerheid biedt als het gelegde beslag. De voorzieningenrechter is gelet op deze omstandigheden voorshands van oordeel dat de belangenafweging in het voordeel van gedaagde moet uitvallen.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
- Artikel 21 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
- Artikel 43 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
- Artikel 50 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
- Artikel 143 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
- Artikel 435 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
- Artikel 705 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
- Artikel 3:277 BW3