Rb. Overijssel 24 maart 2021, ECLI:NL:RBOVE:2021:1445

In dit geschil is primair aan de orde of gedaagde sub 3 zich als bestuurder kan disculperen ten aanzien van het onbehoorlijk bestuur van de rechtspersoon dat aan het faillissement ten grondslag heeft gelegen. De rechtbank formuleert allereest de vereisten die hiervoor gelden. Op basis van een wetsystematische en teleologische uitleg, waarbij onder meer wordt aangesloten bij ontwikkelingen in de wetsgeschiedenis ten aanzien van artikel 2:9 BW, komt de rechtbank tot het oordeel dat een bestuurder zich kan disculperen indien 1) die bestuurder – mede gelet op de taakverdeling – geen ernstig verwijt kan worden gemaakt van het onbehoorlijke bestuur en hij 2) daarnaast niet nalatig is geweest in het treffen van maatregelen om de gevolgen van onbehoorlijk bestuur af te wenden, waarbij mede wordt vereist dat medebestuurders toezicht uitoefenen op elkaar. Bij de vraag of een medebestuurder voldoende maatregelen heeft getroffen om toezicht te houden op de wanpresterende bestuurder speelt dan verder een rol dat de medebestuurder in beginsel mag afgaan op de informatie die hem door de andere bestuurder tot wiens takenpakket de informatie behoort, is verstrekt, mits die informatie geen aanleiding geeft om zelfstandig onderzoek uit te voeren en die aanleiding er ook anderszins niet is. Bij het voorgaande spelen de achtergrond en ervaring van de medebestuurder (in casu de financiële kennis) tevens een rol bij de vraag of hij zich kan disculperen. De stelplicht en bewijslast voor feiten die tot de mogelijkheid van disculpatie kunnen leiden rusten op degene die dit disculpatieverweer (als een bevrijdend verweer) voert. Vervolgens komt de rechtbank tot het oordeel dat gedaagden sub 3 en sub 4 voldoende hebben gesteld ten behoeve van het disculpatieverweer, maar dat eiser de stellingen ook voldoende gemotiveerd heeft betwist. Daarom komt de rechtbank tot een bewijsopdracht.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken