Rb. Oost-Brabant 5 juni 2026, ECLI:NL:RBOBR:2026:3885

De tot 1 augustus 2028 verleende ontheffing op grond van de Wet natuurbescherming kan in stand blijven. Betreft de ontheffing voor het beschadigen of vernielen van voortplantings- en rustplaatsen van de levendbare hagedis en de gladde slang en het opzettelijk verstoren van individuen van de gladde slang. Geen andere bevredigende oplossing waarmee realisering van het plaatselijke project op een bevredigende manier kan worden bereikt en die minder of geen negatieve effecten heeft voor die diersoorten. Gezien het deskundigenadvies mocht het college ervan uitgaan dat mortaliteit ten gevolge van (fiets)verkeer alleen kan optreden in het rood omcirkelde gebied. Alleen daar is sprake van doorkruising van leefgebieden van de voormelde diersoorten of van migratiezones. Dat ook elders in het plangebied sprake is van een (kern)leefgebied is niet aannemelijk gemaakt. Gezien de in het rode gebied te treffen maatregelen en de maatregelen die op grond van het primaire ontheffingsbesluit moeten worden getroffen voor locaties waar het fietspad het leefgebied doorkruist, kon het college ervan uitgaan dat de mortaliteit nul is en dat met de verleende ontheffing geen afbreuk wordt gedaan aan de gunstige staat van instandhouding van voormelde diersoorten. Aanvaringsslachtoffers kunnen niet worden uitgesloten maar gezien de te treffen maatregelen, de voorgeschreven monitoring van deze maatregelen en de voorgeschreven bijstelling van die maatregelen indien nodig, is geen sprake van voorwaardelijk opzet gericht op de dood van deze soorten. Beroep ongegrond. Toekenning schadevergoeding vanwege overtreding van de redelijke termijn.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken