Rb. Oost-Brabant 21 november 2025, ECLI:NL:RBOBR:2025:7592

Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening en het beroep gaat over de aan vergunninghoudster verleende omgevingsvergunning en de weigering tot intrekking daarvan. Verzoekers zijn het met name niet eens met dat besluit omdat zij van oordeel zijn dat hun belangen onvoldoende zijn meegewogen. Zij hebben daarom beroep ingesteld en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het verzoek om een voorlopige voorziening moet worden afgewezen en het bestreden besluit in stand kan blijven. Het college heeft in redelijkheid de belangen van vergunninghoudster bij niet-intrekking van de omgevingsvergunning kunnen laten prevaleren boven de belangen van verzoekers bij intrekking. Verzoekers krijgen dus geen gelijk in de beroepszaak.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken