Rb. Oost-Brabant 12 februari 2025, ECLI:NL:RBOBR:2025:1215
Tussen partijen zijn tientallen procedures bij diverse rechtelijke instanties aanhangig geweest, waarbij in meerdere uitspraken is geoordeeld dat verweerder sub 1 dwangsommen heeft verbeurd als gevolg van overtredingen van diverse veroordelingen. Als gevolg hiervan heeft verzoekende partij een vordering van € 6.140.000,- aan verbeurde dwangsommen opgeëist. Voor haar vordering heeft de verzoekende partij executoriaal beslag laten leggen op de door verweerder sub 2 [verweerder 2] uitgegeven aandeelcertificaten, waarvan verweerder sub 1 (enig) certificaathouder is. In deze procedure verzoekt de verzoekende partij (onder meer) een termijn en de wijze van verkoop te bepalen voor wat betreft de verkoop en overdracht van de in beslag genomen aandeelcertificaten. De rechtbank wijst het verzoek toe en bepaalt dat de in beslag genomen certificaten kunnen worden verkocht en overdragen, waarbij de deurwaarder de wijze van verkoop mag bepalen met als uitgangspunt een zo hoog mogelijke opbrengst te realiseren. De kosten van de verkoop van de aandeelcertificaten mogen op de opbrengst daarvan worden verhaald. Verder verklaart de rechtbank de in de statuten van de [verweerder 2] opgenomen aanbiedings-/blokkeringsregeling buiten toepassing en bepaalt zij dat verweerders medewerking dient te verlenen aan de verkoop en overdracht van de aandeelcertificaten. Aan die veroordeling verbindt de rechtbank een dwangsom en voor zover de maximale dwangsom is bereikt, verleent de rechtbank de verzoekende partij verlof deze veroordeling voor wat betreft verweerder sub 1 ten uitvoer te leggen door middel van dadelijke lijfsdwang omdat deze zich stelselmatig niet houdt aan de hem opgelegde veroordelingen in rechtelijke uitspraken. Ook dienen verweerders de proceskosten te betalen
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
- Artikel 474aa Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
- Artikel 474c Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
- Artikel 474g Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
- Artikel 585 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
- Artikel 587 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
- Artikel 589 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
- Artikel 611a Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
- Artikel 2:195 BW2
- Artikel 4 EEX
- Artikel 24 EEX
Aangehaalde uitspraken
- HR 27 september 2024, ECLI:NL:HR:2024:1323
- Hof Amsterdam 9 april 2024, ECLI:NL:GHAMS:2024:862
- Hof Arnhem-Leeuwarden 2 april 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:2236
- Hof Arnhem-Leeuwarden 31 januari 2023, ECLI:NL:GHARL:2023:847
- Rb. Overijssel 28 juni 2022, ECLI:NL:RBOVE:2022:1891
- Rb. Den Haag 25 november 2021, ECLI:NL:RBDHA:2021:12952
- Hof Arnhem-Leeuwarden 2 maart 2021, ECLI:NL:GHARL:2021:1809
- Rb. Den Haag 5 februari 2021, ECLI:NL:RBDHA:2021:1943
- Rb. Overijssel 29 juli 2020, ECLI:NL:RBOVE:2020:2547
- Rb. Overijssel 22 mei 2020, ECLI:NL:RBOVE:2020:1970
- Rb. Overijssel 2 augustus 2019, ECLI:NL:RBOVE:2019:2727
- Rb. Oost-Brabant 8 februari 2017, ECLI:NL:RBOBR:2017:598
- HR 5 oktober 2001, ECLI:NL:HR:2001:AD4003