Rb. Oost-Brabant 21 december 2023, ECLI:NL:RBOBR:2023:5927

De zaak gaat over de weigering van een verzoek om intrekking van een natuurvergunning op grond van artikel 5.4 lid 1 onder c en lid 2 van de Wnb. De natuurvergunning is verleend met het PAS in strijd met artikel 6, derde lid van de Habitatrichtlijn. De rechtbank is van oordeel dat het college de betrokken belangen onvoldoende in kaart heeft gebracht. De rechtbank ziet het bestreden besluit als een besluit over de voortzetting van het project. Mede gelet op het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) van 10 november 2022 , is de rechtbank van oordeel dat het college dus zal moeten onderzoeken of de passende maatregelen voldoende zullen werken en of ze op tijd worden getroffen. Het college heeft verder niet gemotiveerd geweigerd om de natuurvergunning uit 2015 te wijzigen naar het inmiddels in een omgevingsvergunning vergunde andere huisvestingssysteem. De tijd gaat verder. De staat van het Natura 2000-gebied Kempenland-West is inmiddels beschreven in de natuurdoelanalyse en de effecten van andere passende maatregelen worden ook meer en meer kenbaar. Bovendien is de Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant gewijzigd. De rechtbank ziet daarom aanleiding om het college in de gelegenheid te stellen het bestreden besluit te herstellen.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken