Rb. Oost-Brabant 11 februari 2022, ECLI:NL:RBOBR:2022:423
WOZ. Waardering woning o.b.v. vergelijkingsmethode. Eiser vindt dat de heffingsambtenaar andere met name genoemde vergelijkingsobjecten had moeten hanteren. Dit betoog slaagt niet, omdat in het belastingrecht een vrije bewijsleer geldt en het dus niet aan de rechter is om een bewijsmiddel verplicht voor te schrijven. Eisers beroep op het gelijkheidsbeginsel, meer in het bijzonder de meerderheidsregel, slaagt bij gebrek aan onderbouwing niet. Verder heeft de heffingsambtenaar, anders dan eiser stelt, de door hem gehanteerde indexeringspercentages en de verschillen met de vergelijkingsobjecten voldoende onderbouwd. Eiser heeft pas op de zitting een aantal KOUDV-scores in twijfel getrokken, terwijl het verweerschrift met de daarbij gevoegde taxatie al tien maanden in zijn bezit was. Voor zover de heffingsambtenaar daar niet op kan reageren, zijn de gronden in strijd met de goede procesorde aangevoerd (ECLI:NL:RBOBR:2021:6599 en ECLI:NL:RBOBR:2021:6804). De heffingsambtenaar heeft aannemelijk gemaakt dat de vastgestelde waarde niet te hoog is en eiser heeft geen onderbouwing geleverd voor de door hem bepleite waarde. Beroep ongegrond.
De uitspraak op rechtspraak.nl