Rb. Oost-Brabant 12 januari 2021, ECLI:NL:RBOBR:2021:86

De vordering (in 6 strafzaken) van de officier van justitie de dato 24 december 2020 strekt er toe dat de economische raadkamer (ex artikel 29 van de Wet op de economische delicten, hierna ‘WED’) als voorlopige maatregel de gehele stillegging van de ondernemingen alsmede de direct of indirect aan verdachte(n) gelieerde bedrijf/bedrijven, voor de duur van zes maanden zal bevelen waarbij als bijzonderheden en gevolgen van de maatregel dienen uit te maken de opdracht aan de NVWA om zorg te dragen voor de uitvoering van en frequent toe te zien op de naleving van de opgelegde maatregel en de bepaling dat de kosten die voortkomen uit de uitvoering van de maatregel ten laste komen van de verdachte(n). De economische raadkamer wijst de vorderingen in de 6 strafzaken van de officier van justitie af. De raadkamer is van oordeel dat sprake is van ernstige bezwaren maar dat op dit moment geen sprake is van een zodanig klemmende situatie dat het opleggen van een voorlopige maatregel tot stillegging van de ondernemingen dringend noodzakelijk wordt geacht.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen