Rb. Oost-Brabant 27 juli 2021, ECLI:NL:RBOBR:2021:3955
Bewezenverklaring van: feit 1 en feit 2: een gedraging in strijd met het voorschrift vastgesteld bij artikel 2.2. achtste lid van de Wet dieren, meermalen gepleegd. Geldboete van € 7.200,= subsidiair 71 dagen hechtenis. Gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren met bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde: - gedurende de proeftijd geen honden mag fokken; - op eigen terrein enkel gecastreerde dan wel gesteriliseerde volwassen honden mag houden; - geen honden op zijn terrein mag houden voor een ander; - geen honden mag houden bij een ander; - voor zichzelf en voor anderen geen pups en/of volwassen honden mag verkopen en daar evenmin in mag bemiddelen; - volledige medewerking te geven aan de politie en toezichthouders, in het bijzonder de Landelijke Inspectiedienst Dierenbescherming, toezicht te houden op deze bijzondere voorwaarden, onder meer door het verstrekken van informatie en toegang geven tot zijn terrein.
De uitspraak op rechtspraak.nl