Rb. Oost-Brabant 15 april 2021, ECLI:NL:RBOBR:2021:1714
Een beroepszaak over een aan eiser toegekende rentevergoeding van € 1,20 vanwege vermindering van een reeds betaalde belastingaanslag. De rechtbank oordeelt dat eiser ten onrechte niet is gehoord. De rechtbank ziet aanleiding dit gebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht te passeren, omdat eiser door de gang van zaken niet is benadeeld. Op grond van artikel 28b van de IW 1990 wordt aan de belastingschuldige invorderingsrente vergoed indien de belastingaanslag wordt verminderd of herzien tot een lager bedrag dan inmiddels op die aanslag is betaald en de belastingschuldige eerder een verzoek om uitstel van betaling met betrekking tot het bestreden bedrag heeft gedaan dat door de invorderingsambtenaar bij beschikking is afgewezen Verweerder stelt dat eiser geen recht heeft op vergoeding van invorderingsrente omdat eiser niet heeft verzocht om uitstel van betaling van de aan hem opgelegde aanslag watersysteemheffing 2010. In wat eiser heeft aangevoerd, ziet de rechtbank geen reden om aan de juistheid hiervan te twijfelen. De rechtbank stelt vast dat sinds de ontvangst van het bezwaarschrift door verweerder tot aan deze uitspraak meer dan twee jaar zijn verstreken, zodat de redelijke termijn is overschreden. Onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 24 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:292 wijst de rechtbank het verzoek om schadevergoeding af omdat sprake is van een zeer gering financieel belang.
De uitspraak op rechtspraak.nl