Rb. Oost-Brabant 22 maart 2021, ECLI:NL:RBOBR:2021:1215

Veroordeling voor: -(medeplegen van) overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 13, eerste lid van de Flora- en faunawet, opzettelijk begaan, meermalen gepleegd; -overtreding van een voorschrift gesteld krachtens artikel 3.38 van de Wet natuurbescherming, opzettelijk begaan, meermalen gepleegd; -overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 13, eerste lid van de Flora- en faunawet, opzettelijk begaan; -overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 3.37, eerste lid van de Wet natuurbescherming, opzettelijk begaan, meermalen gepleegd; -opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C, van de Opiumwet gegeven verbod. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het opzettelijk in- en verkopen, onder zich hebben en binnen het grondgebied van Nederland brengen van grote hoeveelheden producten van beschermde uitheemse diersoorten gedurende een periode van ongeveer 2,5 jaar. Verdachte heeft de invoer van beschermde diersoorten samen met een ander gepleegd. Het zwaartepunt van deze zaak ligt naar het oordeel van de rechtbank met name bij de invoer van 100 pythonhuiden vanuit Indonesië en de aankoop van 720 meter pythonhuid. Daarnaast heeft verdachte een grote hoeveelheid morfine-tabletten voorhanden gehad. De rechtbank houdt rekening met een overschrijding van de redelijke termijn. Opgelegd wordt een taakstraf van 200 uur subsidiair 100 dagen hechtenis met aftrek van dagen in verzekering doorgebracht en een voorwaardelijke gevangenisstraf van 3 maanden met een proeftijd van drie jaren. Verboden goederen worden onttrokken aan het verkeer.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen