Rb. Oost-Brabant 11 maart 2021, ECLI:NL:RBOBR:2021:1145
De provincie heeft ontheffing verleend van de verplichting om na velling van een bos te herplanten op dezelfde percelen. Hierbij zijn compensatiepercelen genoemd. Volgens de rechtbank zal verweerder moeten bezien of op die percelen kan worden gecompenseerd, met andere woorden, of op die percelen een herbeplanting van houtopstanden kan plaatsvinden binnen drie jaar die voldoet aan de regels in artikel 2.63 van de IOV. De rechtbank is van oordeel dat verweerder hier slechts van af had kunnen zien als vast staat dat het bestemmingsplan een herplant met inachtneming van artikel 2.63 van de IOV toelaat of als er een concreet zicht is op een planologische toestemming om op de compensatiepercelen te herplanten met inachtneming van artikel 2.63 van de IOV. Dit concreet zicht is er volgens de rechtbank pas, als een ontwerpbestemmingsplan ter inzage is gelegd dat de herplant mogelijk maakt of een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor het gebruik in strijd met het bestemmingsplan is ingediend. Pas in deze gevallen is er een reële kans dat de nieuwe houtopstand kan uitgroeien tot een volwaardige houtopstand en dat er binnen 10 jaar een gesloten kronendak is gevormd.
De uitspraak op rechtspraak.nl