Rb. Oost-Brabant 18 december 2020, ECLI:NL:RBOBR:2020:6358
Intrekking van eisers drank- en horecavergunning en aanwezigheidsvergunning i.v.m. veroordeling door de strafrechter bij vonnis van 1 mei 2018, ECLI:NL:RBOBR:2018:2088, voor gewoontewitwassen en het medeplegen daarvan tot een gevangenisstraf van negen maanden en verbeurdverklaring van een bedrag van in totaal € 678.705,02. Het beroep kan niet reeds i.v.m. de onredelijk lange duur van de bezwaarprocedure gegrond worden verklaard. Wel heeft eiser recht op een schadevergoeding van € 500 i.v.m. de schending van de redelijke termijn a.b.i. art. 6 EVRM door de burgemeester. A.g.v. eerdergenoemde veroordeling mocht de burgemeester aannemen dat eiser in enig opzicht van slecht levensgedrag is en was de burgemeester vervolgens gehouden genoemde vergunningen in te trekken. Beroep ongegrond.
De uitspraak op rechtspraak.nl