Rb. Oost-Brabant 2 november 2020, ECLI:NL:RBOBR:2020:5309

Vervolg op de tussenuitspraak van 22 februari 2019 (ECLI:NL:RBOBR:2019:1040 Verweerder heeft bij actualisatie van een omgevingsvergunning milieu voor het verwerken van CRT (beeldbuis) glas in betonblokken, de betreffende omgevingsvergunning gedeeltelijk ingetrokken na actualisatie aan het LAP 3. Volgens verweerder en de staatsecretaris is bij het toepassen van het loodarm CRT glas afkomstig van de inrichting binnen Son sprake van een ontoelaatbaar milieurisico gelet op het primaire standpunt van de staatssecretaris. Hierbij hanteert de staatsecretaris een concentratiegrenswaarde van 0,1% op het loodgehalte in het CRT glas dat in de betonblokken wordt verwerkt. |De rechtbank is van oordeel dat de staatsecretaris de Handreiking risicoanalyse ZZS in afvalstoffen (handreiking) heeft kunnen toepassen. De centrale vraag in deze zaak is verweerder en de staatsecretaris hebben kunnen aannemen dat sprake is van risico op een onaanvaardbare blootstelling aan het lood in het CRT glas bij het vergruizen van een betonblok aan het einde van de levenscyclus alleen vanwege het feit dat het CRT glas dat als grondstof wordt gebruikt bij het maken van het betonblok een loodgehalte heeft boven de concentratiegrenswaarde. De enkele overschrijding van de concentratiegrenswaarde in de REACH verordening wil immers niet zeggen dat ieder gebruik van de stof is verboden. Dit is geen goede onderbouwing van het standpunt dat het verwerken van het CRT glas uit de inrichting in Son een ontoelaatbaar milieurisico met zich brengt. De rechtbank is van oordeel dat bij het toepassen van het voorzorgsbeginsel bij afvalstoffen altijd een afweging moet worden gemaakt tussen de bescherming van het milieu enerzijds en de technische uitvoerbaarheid en economische haalbaarheid anderzijds. Bij het invullen van de afval hiërarchie dient niet alleen rekening te worden gehouden met het voorzorgsbeginsel en de algemene effecten voor milieu en gezondheid maar ook met de technische uitvoerbaarheid en economische haalbaarheid (artikel 4, tweede lid, van de Kaderrichtlijn afvalstoffen 2008/98/EG).Dat heeft verweerder niet gedaan. Als een verleende omgevingsvergunning afwijkt van het LAP3 dan heeft verweerder een actualisatieverplichting op grond van artikel 5.10, tweede lid, van het Bor in samenhang met 2.30, tweede lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Dit kan aanleiding zijn voor verweerder om de omgevingsvergunning te wijzigen met gebruik van de bevoegdheid ingevolge artikel 2.31, eerste lid, onder b, van de Wabo al dan niet door middel van nadere voorschriften. Pas als dit geen soelaas biedt, is verweerder verplicht de omgevingsvergunning (geheel of gedeeltelijk) in te trekken op grond van artikel 2.33, eerste lid, onder d, van de Wabo. De staatsecretaris had ook aangegeven dat de risico’s hadden kunnen worden beperkt door nadere voorschriften. Verweerder heeft echter gekozen voor gedeeltelijke intrekking en ten onrechte niet afgewogen of de voorgestelde nadere voorschriften een oplossing zouden kunnen bieden. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken