Rb. Oost-Brabant 27 oktober 2020, ECLI:NL:RBOBR:2020:5180

WOZ-zaak. Eiser stelt dat de heffingsambtenaar verplicht is om gebruik te maken van een specifiek waarderingsmodel, in dit geval het programma OrtaX. De rechtbank verwerpt dit standpunt, omdat in het belastingrecht sprake is van een vrije bewijsleer. De heffingsambtenaar mag dus zelf het bewijs kiezen dat hij aanvoert om de door hem vastgestelde waarde te onderbouwen. De rechtbank beoordeelt dat bewijs bij de beantwoording van de vraag of de heffingsambtenaar zijn waarde aannemelijk heeft gemaakt. Gelet op het in deze zaak overgelegde bewijs is de rechtbank van oordeel dat de heffingsambtenaar aan zijn bewijslast heeft voldaan en de door hem vastgestelde waarde aannemelijk heeft gemaakt. Eiser klaagt er wel terecht over dat de heffingsambtenaar in de bezwaarfase niet het zgn. waardevergelijkingsrapport als op de zaak betrekking hebbend stuk ter inzage heeft gelegd. Dat de heffingsambtenaar dit rapport niet heeft gebruikt ter onderbouwing van zijn waarde is niet relevant. Ook stukken die de heffingsambtenaar niet heeft gebruikt, maar hem wel ter raadpleging ter beschikking staan of hebben gestaan en die van belang kunnen zijn voor de beslechting van de (nog) bestaande geschilpunten, behoren daartoe. De rechtbank passeert dit gebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Awb. Beroep ongegrond. Eisers verzoek om immateriële schadevergoeding wegens de overschrijding van de wettelijke termijn wordt afgewezen, omdat hem (de onzekerheid over) de te betalen OZB hem niet uitmaakt.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken