Rb. Oost-Brabant 23 december 2019, ECLI:NL:RBOBR:2019:7358

Eiser heeft als huurder van de woning op grond van artikel 24, derde lid, van de Wet WOZ recht op een beschikking en is daarom gerechtigd daartegen rechtsmiddelen aan te wenden, maar dat maakt nog niet dat hij als huurder zonder meer ook een procesbelang heeft. De rechtbank oordeelt dat in iedere huurderszaak aan de hand van de relevante feiten en omstandigheden moet worden beoordeeld of procesbelang aanwezig is. Ook de enkele omstandigheid dat de onroerende zaak een sociale huurwoning is, is daarvoor onvoldoende. Uit de wettelijke systematiek van doorwerking van de WOZ-waarde naar de huurprijs van sociale huurwoningen volgt dat procesbelang wel kan bestaan als iemand een sociale huurwoning huurt met een huur dichtbij de maximale huurprijsgrens. De heffingsambtenaar van de gemeente ’s-Hertogenbosch maakt duidelijk dat de door eiser bepleite verlaging van de WOZ-waarde van de woning geen effect heeft op de door eiser te betalen huur. Gesteld noch gebleken is dat eiser een ander belang heeft bij de beslissing over de WOZ-waarde van zijn woning. Verweerder heeft het bezwaar wegens het ontbreken van procesbelang terecht kennelijk niet-ontvankelijk verklaard. Beroep ongegrond.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken