Rb. Midden-Nederland 18 oktober 2019, ECLI:NL:RBMNE:2019:4832
Huurders van woningen hebben niet zonder meer procesbelang als zij opkomen tegen een aan hen toegestuurde WOZ-beschikking. De rechtbank oordeelt dat het arrest van de Hoge Raad van 20 oktober 2017 niet zo ver strekt dat het daarin aangenomen uitgangspunt dat procesbelang altijd aanwezig is, ook moet worden aangenomen in huurderszaken. Het bredere gebruik van de WOZ-waarde strekt zich niet uit tot huurderszaken, waarin het belang over het algemeen op eenvoudige wijze is vast te stellen. Het aannemen van een algemeen uitgangspunt waarin altijd procesbelang wordt aangenomen kan ertoe leiden dat wordt geprocedeerd, terwijl niet duidelijk is wat het de betrokken huurder op kan leveren. Dat is geen praktische en uitvoerbare regeling, maar eerder een ongewenste belasting van heffingsambtenaren en van de rechtspraak die niet in verhouding staat tot de maatschappelijke baten. De rechtbank wijkt hiermee af van het oordeel van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden in een vergelijkbare zaak. De rechtbank oordeelt dat in iedere huurderszaak aan de hand van de relevante feiten en omstandigheden moet worden beoordeeld of procesbelang aanwezig is. Ook de omstandigheid dat de lokale belastingen door de verhuurder aan de huurder worden doorberekend, is daarvoor onvoldoende. Die afspraak wordt beheerst door de contractsvrijheid op de vrije huurmarkt en leidt voor de huurder niet tot een gunstigere positie met betrekking tot de WOZ-beschikking.
De uitspraak op rechtspraak.nl