Rb. Oost-Brabant 20 december 2018, ECLI:NL:RBOBR:2018:6580
Wet inrichting landelijk gebied, Lijst geldelijke regelingen. Tussenbeschikking. - Gronden verzoek niet vermeld in verzoekschrift, verzoek om gronden later te mogen indienen toegestaan. Gedeputeerde Staten bepleit niet-ontvankelijkheid, maar verzoeker wordt toch ontvankelijk verklaard. Het feit dat de bepalingen van de Algemene wet bestuursrecht deels wel, deels niet van toepassing zijn heeft misvatting omtrent de geldende processuele bepalingen in de hand gewerkt. - Uitsluitend afwikkeling in financiële zin van herverkaveling kan in de procecedure met betrekking tot de LGR aan de orde worden gesteld. De uitkomst van het ruilproces is daarbij een vaststaand gegeven. - Het verzoekschrift moet duidelijke omschrijving van het verzoek en de gronden waarop dit berust bevatten. - Algehele vernietiging van de LGR wegens gestelde onzorgvuldige voorbereiding is niet mogelijk. - Alleen de LGR kan worden gewijzigd. Verzoekers 1, 4 en 5 hebben geen grieven geformuleerd die tot wijziging van de LGR zouden kunnen leiden. Hun verzoek wordt afgewezen. - Geen nieuwe erfdienstbaarheid en geen nieuwe last. Geen grond voor financiële compensatie. - Geen grondslag in Wilg om op inbreng dan wel toedeling rustende belastingen/heffingen mee te nemen in de LGR. - De ontheffing op grond van artikel 35 Wilg geldt tot de kavelovergang. Verzoeker heeft geen aanspraak op schadevergoeding, nu het teeltplan niet aansloot bij de datum kavelovergang. - Aanwezigheid vanggewas op toedeling belemmerde niet een tijdige verhuizing. Schade in verband met verplaatsing bomen op een ongunstig moment dient voor rekening verzoekster te blijven. - Onvoldoende onderzoek naar vraag of aanvullende maatregelen nodig zijn om toedeling gelijkwaardig te maken aan inbreng en mogelijk meerwaarde inbreng in verband met bouwrechten. Verwijzing naar meervoudige kamer in verband met deze laatste twee punten.
De uitspraak op rechtspraak.nl