Rb. Oost-Brabant 23 november 2018, ECLI:NL:RBOBR:2018:5853
Einduitspraak na 2 tussenuitspraken. Nieuwe informatie na een rechtmatig herstelbesluit Deze uitspraak is een vervolg op de tussenuitspraken van 3 juli 2017 (ECLI:NL:RBOBR:2017:3567) en 15 december 2017 (ECLI:NL:RBOBR:2017:6498). De rechtbank komt na een STAB advies en reacties van partijen op dit STAB advies tot de conclusie dat verweerder een geur rapport ten grondslag kon leggen aan het herstelbesluit. In de tweede tussenuitspraak heeft de rechtbank een nieuwe beroepsgrond over mogelijke twijfel aan het rendement van combiluchtwassers niet toegelaten. Nu wordt de beroepsgrond nog een keer aangevoerd. Met de wijsheid achteraf concluderen beide eisers dat de vrees over het rendement van combiluchtwassers terecht was. Dit blijkt uit een rapport van na het herstelbesluit en een aanpassing van de regelgeving. Het uitgangspunt in het bestuursrecht is echter dat besluiten worden beoordeeld op basis van de regelgeving en de kennis die er was op het moment van het nemen van het besluit. Juristen noemen dit de ex tunc-toetsing. Dit is anders als het besluit is vernietigd en de rechtbank moet beslissen over het al dan niet in stand laten van de rechtsgevolgen. Dan toetst de rechtbank in beginsel op basis van de regelgeving en de kennis op het moment van de uitspraak. In deze zaak is de rechtbank echter van oordeel dat het herstelbesluit niet voor vernietiging in aanmerking komt. Dat betekent dat de rechtbank geen rekening kan houden met kennis die na het herstelbesluit is ontstaan (dus het rapport van de Universiteit Wageningen) en de regelgeving die na het herstelbesluit is gewijzigd. De rechtbank ziet in de gewijzigde emissiefactoren ook geen aanleiding om terug te komen op de tweede tussenuitspraak. De rechtbank vindt steun voor dit oordeel in de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 31 oktober 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:3533).
De uitspraak op rechtspraak.nl