Rb. Oost-Brabant 2 november 2018, ECLI:NL:RBOBR:2018:5366
Hoe beoordeel je een OBM-m.e.r.? De zaak betreft de weigering van een omgevingsvergunning beperkte milieutoets (OBM) voor een m.e.r. beoordeling. Het valt de rechtbank op dat dit geschil zich toespitst op de vraag of de inrichting na uitbreiding voldoet aan de geurnormering die geldt op basis van artikel 3.118 van het Activiteitenbesluit milieubeheer (Abm). De rechtbank vraagt zich af of een dergelijke beoordeling van de aanvraag voor een OBM niet te veel gaat lijken op een verkapte besluitvorming op de melding op basis van artikel 8:41 van de Wet milieubeheer (Wm). Tegen de weigering of acceptatie van de melding op basis van artikel 8:41 van de Wm staat geen rechtsbescherming open. De rechtbank is van oordeel dat de beoordeling van de aanvraag OBM niet louter zou moeten afhangen van de vraag of wordt voldaan aan de wettelijke bepalingen in het Abm. Als niet wordt voldaan aan het Abm, is dit een handhavingskwestie. De aanvraag OBM behoort echter te worden beoordeeld op basis van de criteria in bijlage III bij de EEG-richtlijn milieu-effectbeoordeling. Binnen deze criteria heeft verweerder ten onrechte buiten beschouwing gelaten dat het gaat om een zeer geringe uitbreiding (minder dan 10% van de toepasselijke drempel in onderdeel D van de bijlage van het Besluit milieueffectrapportage) en dat in de omgeving sprake is van een goed woon- en leefklimaat.
De uitspraak op rechtspraak.nl