Rb. Oost-Brabant 12 oktober 2016, ECLI:NL:RBOBR:2016:5600

Verdeling van de opbrengst van door een pandhouder verkocht deel van inboedels in Nederland en in Zwitserland. Curator in het faillissement van de pandgever claimt de opbrengst i.v.m. een fiscaal bodemrecht op de beide woningen. Een man heeft aan zijn partner een pandrecht verleend op zijn helft van de inboedel van twee woningen in Nederland en in Zwitserland. Na het faillissement van de man executeert de vrouw dat pandrecht door de aan de man toekomende helft aan zichzelf te verkopen. De curator in het faillissement van de man maakt op grond van art. 57 lid 3 Fw aanspraak op de opbrengst i.v.m. een fiscaal bodemrecht op de beide woningen. De fiscus heeft ook in Zwitserland een bodem(voor)recht in de zin van art. 21 lid 1 Iw 1990. Dat bodemrecht is niet vervallen i.v.m. de horizonbepaling in art. 70 Iw 1990 en is geen inbreuk als bedoeld in art. 1 Europees Protocol. De woning in Nederland, die eigendom was van de man maar werd verhuurd aan de vrouw, betrof een gemeenschappelijke bodem. Indien pandgever en pandhouder een gemeenschappelijke bodem delen, gaat ingevolge art. 21 lid 2 Iw 1990 het fiscale bodem(voor)recht ook boven een vuistpandrecht.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken