Rb. Oost-Brabant 7 januari 2016, ECLI:NL:RBOBR:2016:53
Op- en herbegraving, artikel 29 Wet op de lijkbezorging, zwaarwegende redenen, belangenafweging. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verweerder de wens van vergunninghouder als nabestaande dat hij en zijn echtgenote op enig moment bij elkaar begraven zullen zijn op de door hem gewenste natuurbegraafplaats, terecht heeft aangemerkt als een zwaarwegende reden, die zwaarder kan wegen dan de redenen die voor de wetgever tot het algemene verbod tot opgraving hebben geleid. Daarbij heeft verweerder tevens terecht overwogen dat het feit dat verzoeker als nabestaande die wens niet heeft, niet betekent dat die wens op zichzelf genomen geen zwaarwegende reden is, terwijl voorts geen aanknopingspunt bestaat voor de conclusie dat de wens van één nabestaande nooit een zwaarwegende reden kan zijn. Steun voor dit oordeel vindt de rechtbank in de uitspraak van de Afdeling van 22 juli 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2325, r.o. 3.1. Verweerder heeft onderkend dat vergunninghouder en verzoeker beiden nabestaanden zijn en dat zij als echtgenoot en zoon ter zake een tegenovergesteld standpunt hebben. Verder heeft verweerder terecht overwogen dat niet in geschil is dat het de wens van de echtgenote van vergunninghouder was om samen met hem te worden begraven en dat er onvoldoende objectieve en verifieerbare gegevens beschikbaar zijn, die verzoekers stelling dat zijn moeder niet wilde dat zij (daartoe) zou worden op- en herbegraven, ondersteunen. De voorzieningenrechter ziet daarbij niet voorbij aan de feiten en omstandigheden die verzoeker heeft vermeld ter onderbouwing van zijn stelling dat het de uitdrukkelijke en stilzwijgende wens van zijn moeder was om begraven te blijven in het bestaande graf op de begraafplaats in (…). Aan die feiten en omstandigheden kan de voorzieningenrechter, bezien in het licht van de hiervoor aangegeven uitdrukkelijke wens van de vergunninghouder en met inachtneming van de terughoudende toetsing, echter niet de betekenis toekennen die verzoeker daaraan gehecht wil zien. Daarbij overweegt de voorzieningenrechter dat die feiten en omstandigheden weliswaar overtuigende aanwijzingen zijn dat het de wens van de echtgenote was om samen met vergunninghouder begraven te worden, maar dat op grond daarvan onvoldoende kan worden vastgesteld of zij vergunninghouder, nadat deze inmiddels tot het inzicht was gekomen dat hij begraven wilde worden op een natuurbegraafplaats, niet zou hebben willen volgen naar die natuurbegraafplaats. Bij de hiervoor weergegeven stand van zaken en in aanmerking genomen dat de begrafenis van de echtgenote langer dan tien jaar geleden heeft plaatsgevonden, oordeelt de voorzieningenrechter dat verweerder aan de wens van vergunninghouder – als rechthebbende en als nabestaande – in redelijkheid een zwaarder belang heeft kunnen toekennen dan aan de wens van verzoeker – als nabestaande – om de grafrust van zijn moeder te laten voortduren.
De uitspraak op rechtspraak.nl