Rb. Oost-Brabant 27 september 2016, ECLI:NL:RBOBR:2016:5247
De rechtbank acht bewezen dat de B.V.'s met een ander opzettelijk onjuiste aangifte omzetbelasting hebben gedaan, terwijl daarna niet zo spoedig mogelijk bij wijze van suppletie juiste en volledige inlichtingen zijn verstrekt aan de inspecteur, aan welke gedraging verdachte telkens feitelijk leiding heeft gegeven. Daarnaast acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de B.V.'s over een aantal tijdvakken opzettelijk onjuiste aangiften omzetbelasting hebben gedaan, terwijl verdachte daar feitelijk leiding aan heeft gegeven. De rechtbank legt een taakstraf van 240 uren subsidiair 120 dagen hechtenis en een voorwaardelijke gevangenisstraf van 6 maanden op met een proeftijd van twee jaar. Op grond van artikel 10a Algemene wet inzake rijksbelastingen in combinatie met artikel 15 van het Uitvoeringsbesluit Omzetbelasting 1968 is de belastingplichtige met ingang van 1 januari 2012 verplicht zo spoedig mogelijk na constatering van een onjuist gedane aangifte omzetbelasting bij wijze van suppletie daarvan melding te maken bij de belastingdienst. Naar het oordeel van de rechtbank is deze regeling voor het strafrecht problematisch voor wat betreft aangiften over perioden ruim vóór 1 januari 2012. Ontslag van alle rechtsvervolging ten aanzien van deze feiten in verband met schending van het in artikel 1 van het Wetboek van Strafrecht neergelegde legaliteitsbeginsel.
De uitspraak op rechtspraak.nl