Rb. Oost-Brabant 26 mei 2016, ECLI:NL:RBOBR:2016:2653

Betreft besluit tot intrekking en beëindiging van de Pw-uitkering van eiseres. Niet in geschil is dat sprake is van hoofdverblijf. Tevens sprake van wederzijdse zorg, zodat eiseres in de periode in geding een gezamenlijke huishouding voerde. Beroep op artikel 26 IVBPR. Of eiseres en Van B., en de in artikel 3, tweede lid, aanhef en onder a, van de Pw genoemde bloedverwanten in de tweede lijn, voor de toepassing van artikel 26 van het IVBPR als gelijke gevallen kunnen worden beschouwd, hangt - gezien de jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep - onder meer af van het antwoord op de vraag of objectief gezien voldoende aannemelijk is dat ten tijde hier van belang sprake is geweest van zorgbehoefte in de zin van artikel 3, tweede lid, aanhef en onder a, van de Pw. Tussen partijen is niet in geschil dat deze zorgbehoefte in onderhavig geval aanwezig is. Uit de Memorie van Toelichting 2003-2003 kamerstuk 28870 blijkt dat de wetgever het onderscheid tussen met elkaar samenlevende bloedverwanten in de eerste graad en andere samenlevenden bewust en weloverwogen heeft gemaakt. De familieband maakt dat sprake is van een situatie die anders is dan een situatie waarin geen sprake is van een familieband. De zorg die dan aan elkaar wordt gegeven komt minder voort uit een vrijwillige keuze dan in het geval het gaat om een situatie waarin geen sprake is van een familieband. Daarmee is gegeven dat ook in de situatie van eiseres en Van B., tussen wie geen familieband bestaat, een te rechtvaardigen onderscheid wordt gemaakt ten opzichte van bloedverwanten in de eerste graad. Eiseres kan dus voor de toepassing van artikel 26 van het IVBPR niet als een aan de in artikel 3, tweede lid, aanhef en onder a, van de Pw omschreven uitzonderingscategorie gelijk geval worden beschouwd.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde uitspraken