CRvB 15 oktober 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:2060
Intrekking en terugvordering bijstand. Gezamenlijke huishouding. 1) Wederzijdse zorg. Dat de mate van verleende zorg door C. voor appellant, die in een zogeheten zorgovereenkomst is geformaliseerd, groter zou zijn dan andersom doet niet ter zake. Voor het aannemen van wederzijdse zorg is immers niet vereist dat sprake is van een min of meer gelijke bijdrage in de kosten van de huishouding of van een gelijke omvang en intensiteit van de over en weer geleverde zorg. De elementen van zorg duiden op een in een zakelijke huurrelatie ongebruikelijke verbondenheid. 2) Zorgbehoefte. Niet aannemelijk dat sprake is geweest van zorgbehoefte in de zin van artikel 3, tweede lid, aanhef en onder a, van de WWB. Er is geen sprake van dat appellant aanspraak zou kunnen maken op plaatsing in een AWBZ-instelling. Appellant kan voor de toepassing van artikel 26 van het IVBPR niet als een aan de in artikel 3, tweede lid, aanhef en onder a, van de WWB omschreven uitzonderingscategorie gelijk geval worden beschouwd.
De uitspraak op rechtspraak.nl