Rb. Oost-Brabant 6 november 2015, ECLI:NL:RBOBR:2015:6379

Passieve risicoaanvaarding. Volgens de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State is een aanvraag voor een vergunning geen absoluut vereiste om te kunnen spreken van een concrete poging tot benutting van bouwmogelijkheden. In dit geval is van een concrete poging om de in het bestemmingsplan opgenomen bouwmogelijkheid te benutten geen sprake geweest. De inspanningen zagen niet specifiek op de realisering van de bouw- en gebruiksmogelijkheden die bij de planwijziging zijn komen te vervallen. Het door een bouwbedrijf ingediende verzoek om medewerking te verlenen aan het ontwikkelen van woningbouw kan om dezelfde reden niet als een concrete poging worden aangemerkt, nog daargelaten dat het verzoek niet door eiseres zelf is ingediend. Bovendien laat dit verzoek het initiatief aan verweerder en is dit onvoldoende concreet om daarop de conclusie te baseren dat eiseres voldoende in het werk heeft gesteld om de bouwmogelijkheid te benutten. De rechtbank volgt eiseres niet in haar opvatting dat er te weinig tijd was om de bouwmogelijkheid te benutten. Bij een aanvraag hoeven niet alle gegevens gelijktijdig te worden aangeleverd. Bovendien is de termijn, doordat het opvolgende bestemmingsplan niet tijdig vastgesteld en is er een gewijzigd ontwerp ter inzage gelegd. Als eiseres er al niet in zou zijn geslaagd om binnen 11 maanden een vergunningsaanvraag in te dienen (de lengte van deze periode kon eiseres overigens vooraf niet kennen), had zij in elk geval de aanvraag kunnen vervolmaken en de aanvraag tussen medio mei 2009 en 10 december 2009 kunnen indienen. Eiseres moet worden geacht de voor haar nadelige bestemmingswijziging te hebben aanvaard. In dit geval is geen sprake van het vervallen van diverse gebruiksmogelijkheden. Slechts de mogelijkheid voor realisering van woningbouw was aan de orde.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken