Rb. Oost-Brabant 8 januari 2015, ECLI:NL:RBOBR:2015:58

Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen. Bestuurlijke boete. Bewijsvoering. Verhouding kinderen beroepskrachten. Wat betreft de dreumesgroep moet worden vastgesteld dat tussen partijen niet in geschil is dat, zoals ook vermeld in het inspectierapport, in die groep twee beroepskrachten aanwezig waren, zodat eiseres, mede gelet op het voorgaande, artikel 1.50, tweede lid, aanhef en onder d, van de Wko, gelezen in samenhang met artikel 4, tweede en derde lid, van het Bko en artikel 5, eerste, zevende en achtste lid, van de Regeling heeft overtreden. Wat betreft de peutergroep moet worden vastgesteld dat in het inspectierapport weliswaar staat vermeld dat in die groep twee beroepskrachten aanwezig waren en dat (-) niet op de groep stond, maar daar staat tegenover dat eiseres onder verwijzing naar diverse door haar overgelegde verklaringen gemotiveerd heeft uiteengezet dat naast de in het inspectierapport genoemde beroepskrachten ook (-) werkzaam was op de peutergroep. Voorts moet worden vastgesteld dat het inspectierapport ter zake niet meer behelst dan de enkele constatering dat (-) niet op de groep stond, dat in het primaire besluit weliswaar staat dat de aanwezige beroepskrachten tegen de toezichthouders hebben verklaard dat (-) niet op de groepen aanwezig was, maar dat die verklaringen niet in het inspectierapport zijn opgenomen en dat ook overigens nagenoeg geen feitelijke informatie over de gang van zaken tijdens de inspectie in het inspectierapport is opgenomen. Ter zitting van de rechtbank heeft (-) verklaard dat zij tegen een van de toezichthouders heeft verklaard dat zij op de peutergroep stond. Hoewel verweerder ter zitting van de rechtbank heeft betwist dat (-) dat tegen de toezichthouder heeft verklaard, moet worden vastgesteld dat niet in geschil is dat (-) met een van de toezichthouders heeft gesproken en dat daarover in het inspectierapport niets is opgenomen. Het argument van verweerder dat (-) zulks niet heeft verklaard, omdat dat anders wel in het inspectierapport zou zijn opgenomen, acht de rechtbank niet steekhoudend. Teneinde te voldoen aan de strenge eisen die ter zake aan de bewijsvoering worden gesteld en misverstanden over al dan niet afgelegde verklaringen uit te sluiten, had het op de weg van verweerder gelegen afgelegde verklaringen op te nemen in het inspectierapport. Nu verweerder echter ervoor heeft gekozen te volstaan met een uiterst summier inspectierapport, waarin verklaringen van medewerkers van eiseres, noch een feitelijke weergave van de gang van zaken zijn opgenomen, moet bij de hiervoor weergegeven stand van zaken worden geoordeeld dat niet kan worden vastgesteld dat op de peutergroep slechts twee in plaats van drie beroepskrachten aanwezig waren. Het eerst in beroep bij verweerschrift overgelegde nader verslag maakt dat niet anders, reeds omdat dit eerst in beroep is overgelegd. Dit betekent dat niet kan worden vastgesteld dat dat eiseres artikel 1.50, tweede lid, aanhef en onder d, van de Wko, gelezen in samenhang met artikel 4, tweede en derde lid, van het Bko en artikel 5, eerste, zevende en achtste lid, van de Regeling heeft overtreden.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken