Rb. Oost-Brabant 1 mei 2013, ECLI:NL:RBOBR:2013:CA0821
Besluit waarbij verweerder aan vergunninghouder een omgevingsvergunning heeft verleend voor de activiteiten “het bouwen van een bouwwerk”, “een houtopstand te vellen of te doen vellen” en “een uitweg te maken, te hebben of te veranderen of het gebruik daarvan te veranderen”. Bij besluit van eerdere datum heeft verweerder aan vergunninghouder een vrijstelling verleend ingevolge artikel 19, tweede lid, van de WRO voor de bouw van een vrijstaande woning. Dit besluit is voorbereid met afdeling 3.4 van de Awb. Eisers hebben in deze procedure zienswijzen naar voren gebracht. (…) Eisers hebben niet tijdig bezwaar gemaakt. De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of verweerder terecht heeft aangenomen dat sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding. (…) De rechtbank overweegt dat het primaire besluit in strijd met artikelen 1.5a en 1.5b van de Invoeringswet Wabo niet is voorbereid met toepassing van de uitgebreide voorbereidingsprocedure van afdeling 3.4 van de Awb maar met toepassing van de reguliere procedure. Dit maakt echter niet dat de omstandigheid dat eisers hun zienswijze naar voren hebben gebracht in kader van de vrijstellingsprocedure, tot gevolg heeft dat aan eisers in kader van de procedure tot verlening van de omgevingsvergunning een mededeling als bedoeld in artikel 3:43, eerste lid, van de Awb had moeten worden gedaan. In de eerste plaats hebben eisers reeds een mededeling als bedoeld in artikel 3:43, eerste lid, van de Awb, ontvangen in de vrijstellingsprocedure en heeft verweerder in dat kader aan zijn verplichtingen voldaan. Bovendien verplicht de Wabo, in het bijzonder artikel 2.5 van deze wet, verweerder niet om degenen die zienswijzen hebben aangevoerd in kader van een met afdeling 3.4 van de Awb voorbereide beschikking met betrekking tot de eerste fase van een omgevingsvergunning, mededeling te doen van de beschikking met betrekking tot de tweede fase van de omgevingsvergunning, dan wel mededeling te doen van de terinzagelegging van de ontwerpbeschikking met betrekking tot de tweede fase. Een dergelijke verplichting bestond evenmin op basis van artikel 56a van de Woningwet zoals deze gold tot 1 oktober 2010. Verder kunnen eisers evenmin een recht op een mededeling als bedoeld in artikel 3:43, eerste lid, van de Awb ontlenen aan de passage in artikel 1.5b, derde lid, in samenhang met artikel 1.5b, vierde lid, van de Invoeringswet Wabo, op basis waarvan voor de mogelijkheid van beroep de vrijstelling die is gelijkgesteld met een beschikking met betrekking tot de eerste fase van een omgevingsvergunning met de beschikking met betrekking tot de tweede fase van die omgevingsvergunning als één besluit wordt aangemerkt. Ook onder het oude recht werden een projectbesluit en een bouwvergunning voor de mogelijkheid van beroep ingevolge hoofdstuk 8 van de Awb als één besluit aangemerkt ingevolge artikel 46, zesde lid, van de Woningwet, zoals deze gold tot 1 oktober en daarvoor op grond van artikel 49 van de Woningwet zoals deze gold tot 1 juli 2008. Voornoemde passage heeft slechts tot gevolg dat in een beroepsprocedure tegen een verleende bouwvergunning respectievelijk een beschikking met betrekking tot een omgevingsvergunning tweede fase, gronden tegen de daarvoor verleende vrijstelling kunnen worden aangewend. Uit de wetsgeschiedenis blijkt niet dat de wetgever met voornoemde passage in de Invoeringswet Wabo, tevens heeft bedoeld dat mededeling aan personen die zienswijzen hebben ingebracht in kader van de vrijstellingsprocedure van de beschikking omtrent de tweede fase dient te worden gedaan, dan wel het voornemen daartoe. (…) Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat eisers als gevolg van de publicatie in het gemeentelijke weekblad op de hoogte hadden kunnen zijn van de verlening van het primaire besluit en het moment van de verzending daarvan. De publicatie voldoet aan de, in de Awb en Wabo gestelde eisen. (…)
De uitspraak op rechtspraak.nl