Rb. Oost-Brabant 3 oktober 2013, ECLI:NL:RBOBR:2013:5539

Verordening 261/2004. Sturgeon-arrest. Verzoek om handhavend op te treden. Gezag van gewijsde arbitraal vonnis. Geen recht op compensatie dus geen overtreding. De rechtbank stelt vast dat de Geschillencommissie Luchtvaart bij arbitraal vonnis van 12 april 2012 de door eiser mede ten behoeve van eiseres ingediende vordering om compensatie voor de vertraging van de vlucht heeft afgewezen. Dit vonnis heeft, gelet op het bepaalde in artikel 1059 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordening, gezag van gewijsde. Eisers stelling dat hij zich op ieder gewenst moment tot het gerechtshof kan wenden om vernietiging van dit vonnis te bewerkstelligen doet daar niet aan af. Dit betekent dat in rechte vaststaat dat eisers geen recht hebben op compensatie en dat Martinair artikel 7 van Verordening dus niet heeft overtreden. Het betoog van eisers dat de Geschillencommissie Luchtvaart een onjuist criterium heeft toegepast, dat geen sprake was van buitengewone omstandigheden en dat Martinair aan andere passagiers van de vlucht wel compensatie heeft betaald, stuit hierop af. Weliswaar heeft verweerder de verplichting om de door het Unierecht aan particulieren gegarandeerde rechten te effectueren en te beschermen, maar in dit geval weegt de rechtszekerheid in verband met het gezag van gewijsde zwaarder. Dat, zoals eisers ter zitting van de rechtbank onder verwijzing naar jurisprudentie hebben aangevoerd, de kantonrechter zich niet gebonden acht aan besluiten van verweerder, maakt het voorgaande niet anders. Uit punt 22 van de considerans van de Verordening, zoals hiervoor aangehaald, volgt immers dat toezicht van de lidstaten geen afbreuk mag doen aan de rechten van passagiers om overeenkomstig het nationale procesrecht langs juridische weg schadevergoeding te eisen bij een rechtbank.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen