Rb. Oost-Brabant 3 september 2013, ECLI:NL:RBOBR:2013:4888

In een meineedzaak overweegt de rechtbank ambtshalve dat het bestanddeel ‘gevallen waarin een wettelijk voorschrift een verklaring onder ede vordert of daaraan rechtsgevolgen verbindt’ ook vervuld kan worden ingeval een getuige op de voet van artikel 216, tweede lid van het Wetboek van Strafvordering is beëdigd. Waar de Hoge Raad in 1994 de vraag nog in het midden kon laten of zich te dezen voordoet een geval waarin een wettelijk voorschrift een verklaring onder ede vordert, ziet de rechtbank zich thans voor deze vraag gesteld. De rechtbank komt op basis van de bedoeling van de wetgever tot de conclusie dat wanneer de rechter-commissaris beëdiging in verband met de betrouwbaarheid van de door de getuige af te leggen verklaring noodzakelijk acht, zich voordoet een geval waarin artikel 216, tweede lid Wetboek van Strafvordering vordert dat deze getuige ook wordt beëdigd. Veroordeling voor meineed. Werkstraf voor de duur van 120 uren.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen