Rb. Noord-Nederland 1 oktober 2026, ECLI:NL:RBNNE:2026:4453
Wahv. 11 km per uur harder rijden dan mag op een (auto)weg buiten de bebouwde kom (verkeersbord A1). De aanwezigheid van de borden kan niet worden vastgesteld. Alhoewel in het algemeen er vanuit mag worden gegaan dat als de ambtenaar ter plaatse was bij het vaststellen van de gedraging, hij de relevante bebording heeft gecontroleerd, is er hier sprake van een gedraging binnen de bebouwde kom. In zo’n geval moet aan de hand van de locatie van de gedraging, in samenhang met de locatie van het bord op de door de bestuurder afgelegde route worden beoordeeld of een controle van het bewuste bord voor de hand ligt en daarmee aannemelijk is. De vertegenwoordiger is er niet in geslaagd om dit op de zitting aannemelijk te maken.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Tekst
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Zittingsplaats Leeuwarden
Bestuursrecht
beschikkingsnummer: 272785045
zaaknummer: 12124170 BU VERZ 26-486
uitspraak van de kantonrechter van 1 oktober 2026
in de zaak van
[betrokkene] (de betrokkene),
die woont in [plaats],
gemachtigde: mr. N.G.A. Voorbach, Verkeersboete.nl.
Inleiding
1 Aan betrokkene is een boete opgelegd op grond van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv). De verkeersovertreding waarvoor de boete is opgelegd is: ‘11 km per uur harder rijden dan mag op een (auto)weg buiten de bebouwde kom (verkeersbord A1)’, verricht op 21 maart 2025, om 17:09 uur, aan de N910 Trekwei ter hoogte van hectometerpaal 8.7 in De Trieme, gemeente Noardeast-Fryslân, met een personenauto, met kenteken [kenteken]. De opgelegde boete bedraagt € 127,00 (inclusief administratiekosten).
1.1 Betrokkene heeft tegen de boete beroep ingesteld bij de officier van justitie. Deze heeft het beroep ongegrond verklaard. Tegen die beslissing heeft betrokkene beroep ingesteld bij de kantonrechter.
1.2 De kantonrechter heeft het beroep op 18 september 2026 op de zitting behandeld. Daarbij waren aanwezig: mr. O. van der Meer namens gemachtigde en de vertegenwoordigster van de officier van justitie, mr. S. Heling.
Beoordeling door de kantonrechter
2 De kantonrechter beoordeelt het beroep aan de hand van de beroepsgronden van betrokkene. Hij oordeelt dat het beroep gegrond is en zal de boete vernietigen. Daarnaast zal hij een proceskostenvergoeding toekennen. De kantonrechter zal hierna uitleggen waarom hij dat doet.
Standpunten
3 Gemachtigde voert aan dat betrokkene geen bord A1 is gepasseerd. Op de zitting heeft mr. Van der Meer aangevoerd dat betrokkene via de N358 de Trekwei is opgereden en dat op Google Maps enkel afbeeldingen van de A1 bebording op de Trekwei te zien zijn van juli 2023 en september 2024. Hierdoor wordt niet voldaan aan het vereiste van jurisprudentie van het hof Arnhem-Leeuwarden dat de aanwezigheid van de bebording kan worden vastgesteld als deze niet meer dan zes maanden vóór het tijdstip van de gedraging aanwezig was. Nu de aanwezigheid van de vermeende bebording cruciaal is om de gedraging vast te kunnen stellen, ligt het op de weg van de officier om een schouwrapport in het geding te brengen. Daarnaast voert gemachtigde aan dat de werkopdracht mobiele radarcontrole zich ten onrechte niet in het dossier bevindt, ondanks dat deze aanwezig is. Hierbij verwijst hij naar de Werkinstructie MultaRadar CT. De officier deelt de werkopdracht naar willekeur en doet dat in dit geval niet, hetgeen strijdig is met 7:18 van de Algemene wet bestuursrecht. In de werkopdracht is immers informatie opgenomen waar betrokkene recht op heeft ter verdediging en om de deugdelijkheid van de meting te controleren, zoals het tijdstip van de controle, de exacte locatie, het meetmiddel dat is gebruikt, de ijkdatum van het meetmiddel etc. Gemachtigde verwijst naar een voorbeeld van een werkopdracht.
4 Door de vertegenwoordigster is aangevoerd dat zij het standpunt van de officier van justitie wil handhaven. Zij heeft de kantonrechter verzocht het beroep ongegrond te verklaren.
Overwegingen
De gedraging
5 De kantonrechter overweegt allereerst dat een op de zaak betrekking hebbend stuk een stuk is waarop de voor de sanctieoplegging relevante gegevens zijn vermeld of een stuk dat de verbalisant heeft gebruikt voor het opleggen van de boete. Een werkopdracht van de mobiele radarcontrole is niet zo’n stuk. De verkeersovertreding is niet vastgesteld op basis van de werkopdracht, maar op basis van de resultaten van de meting met de snelheidsmeter. Bovendien staan de gegevens die volgens gemachtigde in de werkopdracht staan, ook genoteerd in het zaakoverzicht. Die gegevens zijn aan gemachtigde verstrekt.
5.1 Betrokkene betwist de verkeersovertreding. In zaken op grond van de Wahv is de verklaring van de verbalisant in het zaakoverzicht in beginsel voldoende voor het vaststellen van de verkeersovertreding, tenzij concrete omstandigheden worden aangevoerd die aanleiding geven tot twijfel.
5.2 Uit de verklaring van de verbalisant zoals opgenomen in het zaakoverzicht blijkt dat deze de werkelijke snelheid vaststelde met een voor de meting getest, goedgekeurd en op de voorgeschreven wijze gebruikt snelheidsmeetmiddel. Dat middel is de MultaRadar CT. De gemeten (afgelezen) snelheid was 74 kilometer per uur, de werkelijke (gecorrigeerde) snelheid was 71 kilometer per uur en de toegestane snelheid was 60 kilometer per uur. Er is dus sprake van een overschrijding met 11 kilometer per uur. Naast de verklaring van de verbalisant bevat het dossier een foto van de gedraging, waarop het voertuig van betrokkene met kenteken [kenteken] zichtbaar is.
5.3 De aanwezigheid van de borden kan echter niet worden vastgesteld. Alhoewel in het algemeen er vanuit mag worden gegaan dat als de ambtenaar ter plaatse was bij het vaststellen van de gedraging, hij de relevante bebording heeft gecontroleerd, is er hier sprake van een gedraging binnen de bebouwde kom. In zo’n geval moet aan de hand van de locatie van de gedraging, in samenhang met de locatie van het bord op de door de bestuurder afgelegde route worden beoordeeld of een controle van het bewuste bord voor de hand ligt en daarmee aannemelijk is. Door de vertegenwoordigster is op de zitting aangevoerd dat op de Trekwei wel A1 borden staan en dat deze op een korte afstand staan van de pleeglocatie waar de verbalisant de gedraging heeft waargenomen. Zij heeft echter geen stukken overgelegd waaruit blijkt dat de A1 bebording aanwezig was en zij heeft ook niet op de zitting op Google Maps laten zien waar de bebording op de Trekwei zou staan. Daarom is de kantonrechter van oordeel dat niet kan worden vastgesteld dat deze bebording aanwezig was in de periode van zes maanden vóór de gedraging. Hierdoor kan niet met voldoende zekerheid worden vastgesteld dat, ten tijde van het vaststellen van de gedraging, op de door de betrokkene gevolgde route een A1-bord aanwezig was. Dit betekent dat de verkeersovertreding niet kan worden vastgesteld. Het beroep zal gegrond worden verklaard. De door gemachtigde gevraagde proceskosten komen voor vergoeding in aanmerking.
Proceskostenvergoeding
6. Omdat de kantonrechter het beroep gegrond zal verklaren, zal hij de officier van justitie veroordelen in de proceskosten van betrokkene. Hij kent anderhalve punt toe met een waarde van € 666,00 voor het indienen van het beroepschrift bij de officier van justitie en het bijwonen van de telefonische hoorzitting. Verder kent hij twee punten toe voor het indienen van het beroepschrift bij de kantonrechter en het verschijnen op de zitting met een waarde van € 934,00. Gelet op de aard van de zaak past de kantonrechter de wegingsfactor 0,5 (gewicht van de zaak = licht) toe. De boete en de beslissing van de officier van justitie zijn bekend gemaakt na 31 december 2023; daarom past de kantonrechter de vermenigvuldigingsfactor van 0,25 toe bij de berekening van de proceskosten. Hij zal de officier van justitie veroordelen in de kosten van € 358,38 (€ 666,00 x 1,5 x 0,5 x 0,25 + € 934,00 x 2 x 0,5 x 0,25).
6.1 Artikel 13a, vijfde lid, van de Wahv regelt dat uitbetalingen op grond van een uitspraak op beroep op grond van deze wet uitsluitend plaatsvinden op een bankrekening die op naam staat van degene aan wie de boete is opgelegd. Gelet op de jurisprudentie is de kantonrechter niet bevoegd om over deze feitelijke uitvoering van zijn beslissing een oordeel te geven.
Conclusie
De kantonrechter:
verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond;
vernietigt die beslissing;
verklaart het beroep tegen de inleidende beschikking gegrond;
vernietigt die inleidende beschikking;
bepaalt dat betrokkene het bedrag van de zekerheidstelling terugkrijgt;
veroordeelt de officier van justitie in de proceskosten van de betrokkene van
€ 358,38;
- verklaart zich onbevoegd om te oordelen over de wijze van uitbetalen.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P.G. Wijtsma, kantonrechter, in aanwezigheid van R. de Hoop, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 1 oktober 2026.
griffier kantonrechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Als u het met de beslissing op uw beroep niet eens bent, dan kunt u binnen zes weken na de hieronder vermelde datum van toezending van deze beslissing hoger beroep instellen bij het
gerechtshof Arnhem - Leeuwarden, maar alleen als:
a. de u opgelegde administratieve boete meer dan € 110,00 bedraagt, of
b. uw beroep niet-ontvankelijk is verklaard omdat u geen (of niet op tijd) zekerheid heeft gesteld.
Het (hoger) beroepschrift moet worden ingediend bij de rechtbank Noord-Nederland, Afdeling Bestuursrecht, locatie Groningen (Postbus 150, 9700 AD Groningen). U dient daarbij het zaaknummer te vermelden.
De wet gaat uit van een geheel schriftelijke procedure, tenzij door u bij het (hoger) beroepschrift uitdrukkelijk om een zitting is gevraagd.