Rb. Noord-Nederland 1 oktober 2026, ECLI:NL:RBNNE:2026:4449
Wahv. Pkv. De kantonrechter is van oordeel dat er terecht een halve punt voor de tweede telefonische hoorzitting wordt toegekend. Wel is op de zitting gebleken dat de eerste hoorzitting niet telefonisch, maar fysiek heeft plaatsgevonden. Hierdoor is door de officier van justitie een verkeerde proceskostenvergoeding vastgesteld
De uitspraak op rechtspraak.nl
Tekst
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Zittingsplaats Leeuwarden
Bestuursrecht
beschikkingsnummer: 271637605
zaaknummer: 12117999 BU VERZ 26-403
uitspraak van de kantonrechter van 1 oktober 2026
in de zaak van
[betrokkene] (de betrokkene),
die woont in [plaats],
gemachtigde: mr. N.G.A. Voorbach, Verkeersboete.nl.
Inleiding
1 Aan betrokkene is een boete opgelegd op grond van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv). De verkeersovertreding waarvoor de boete is opgelegd is: ‘stilstaan op het trottoir, voetpad, fietspad, fiets/bromfietspad of het ruiterpad (niet de rijbaan gebruiken)’, verricht op 3 januari 2025 om 20:14 uur op [adres], gemeente Smallingerland, met een personenauto, met kenteken [kenteken]. De opgelegde boete bedraagt € 129,00 (inclusief administratiekosten).
1.1 Betrokkene heeft tegen de boete beroep ingesteld bij de officier van justitie. Deze heeft het beroep ongegrond verklaard. Tegen die beslissing heeft betrokkene beroep ingesteld bij de kantonrechter.
1.2 De kantonrechter heeft het beroep op 18 september 2026 op de zitting behandeld. Daarbij waren aanwezig: mr. O. van der Meer namens gemachtigde en de vertegenwoordigster van de officier van justitie, mr. S. Heling.
Beoordeling door de kantonrechter
Standpunten
2 Gemachtigde voert aan dat er geen aanleiding bestaat om het punt voor de hoorzitting te halveren, omdat de grondslag ontbreekt voor het aannemen van bijzondere omstandigheden. Uit vaste jurisprudentie van de Hoge Raad blijkt dat slechts bijzondere omstandigheden een afwijking van het Besluit proceskosten bestuursrecht rechtvaardigen. De Wet herwaardering proceskostenvergoeding Woz en BPM, die per 1 januari 2024 in werking is getreden, voorziet al in een matiging van de proceskosten. In de praktijk wordt in Wahv-zaken echter aanvullend gematigd, waarbij wordt verwezen naar arresten van het hof uit 2021. Door mr. van der Meer is op de zitting nader aangevoerd dat één van de twee hoorzittingen niet telefonisch, maar fysiek heeft plaatsgevonden, waardoor de door de officier van justitie toegekende proceskostenvergoeding in administratief beroep niet klopt.
3 Door de vertegenwoordigster is op de zitting aangevoerd dat in het hoorverslag van de tweede hoorzitting per abuis staat aangegeven dat deze telefonisch heeft plaatsgevonden. De eerste hoorzitting van 14 mei 2025 vond namelijk fysiek plaats. Daarom hadden er in totaal 1,5 punten voor de hoorzittingen moeten worden toegekend, en niet 0,75 punt. Over het verweer over de halvering van het procespunt bij telefonische hoorzittingen gaat de vertegenwoordigster uit van de jurisprudentie van het hof van 2021, waarin is gemotiveerd dat een halvering van de vergoeding gerechtvaardigd is wanneer een hoorzitting telefonisch plaatsvindt.
Overwegingen
De hoogte van de door de officier van justitie vastgestelde proceskostenvergoeding
4 De kantonrechter constateert dat de officier van justitie de inleidende beschikking heeft gewijzigd, waarvoor een proceskostenvergoeding is toegekend. Deze proceskostenvergoeding is vastgesteld op € 56,61. Het beroep van betrokkene richt zich alleen op de toekenning van deze proceskostenvergoeding. Het beroepschrift aan de kantonrechter dient dus behandeld te worden als een verzoek op de voet van artikel 13a van de Wahv.
Halvering punt telefonische hoorzitting
5 De kantonrechter is in de eerste plaats van oordeel dat er terecht een halve punt voor de tweede telefonische hoorzitting wordt toegekend. Hiertoe overweegt hij dat op basis van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor het telefonisch horen een halve punt moet worden toegekend en niet een heel punt. Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft in een arrest van 17 januari 2021 geoordeeld dat toekenning van een heel punt op een onjuiste rechtsopvatting berust en dat in het kader van een uniforme rechtstoepassing een half punt behoort te worden toegekend voor een telefonisch door de officier van justitie gehouden hoorzitting. Dat daarnaast de Wet herwaardering proceskostenvergoedingen WOZ en bpm wordt toegepast, staat daar los van. Het verweer van gemachtigde dat het halve punt voor de telefonische hoorzitting niet meer in verhouding staat tot de door gemachtigde verrichte werkzaamheden, is naar het oordeel van de kantonrechter onvoldoende aannemelijk gemaakt. Door gemachtigde is namelijk op geen enkele wijze onderbouwd waarom de verrichte werkzaamheden niet in verhouding staan tot de proceskostenvergoeding.
5.1 Verder is op de zitting inderdaad gebleken dat de eerste hoorzitting op 14 mei 2025 niet telefonisch, maar fysiek heeft plaatsgevonden. De tweede hoorzitting op 5 augustus 2025 heeft wel telefonisch plaatsgevonden, in verband met de hack bij het Openbaar Ministerie. Voor de eerste fysiek telefonische hoorzitting is daardoor door de officier van justitie ten onrechte 0,5 punt toegekend en voor de telefonische nadere hoorzitting ten onrechte 0,25 punt. De kantonrechter zal daarom de beslissing van de officier van justitie vernietigen en de proceskostenvergoeding op het juiste bedrag vaststellen.
5.2 De proceskostenvergoeding wordt als volgt berekend: 2,5 (punten) x 647,00 (tarief 2025) x 0,5 (wegingsfactor individuele Mulderzaken) x 0,1 (extra wegingsfactor herwaardering proceskostenvergoeding (overige wijziging)). Dit leidt tot een proceskostenvergoeding van € 80,86 voor het administratief beroep.
5.3 Omdat de kantonrechter het beroep in verband met de vernietiging van de beslissing van de officier van justitie gegrond zal verklaren, zal hij de officier van justitie ook veroordelen in de proceskosten van betrokkene in het kantonberoep. Nu deze slechts in het gelijk wordt gesteld voor wat betreft de hoogte van de proceskostenvergoeding, wordt wegingsfactor 0,25 (gewicht van de zaak = zeer licht) toegepast. Omdat de beslissing van de officier van justitie na 31 december 2023 is bekendgemaakt, past de kantonrechter daarnaast de extra wegingsfactor uit artikel 13a, tweede lid, onder a, van de Wahv toe op de kantonfase. De proceskostenvergoeding wordt als volgt berekend: 2 (procespunten) x 934,00 (tarief 2026)) x 0,25 (wegingsfactor zeer licht) x 0,1 (extra wegingsfactor herwaardering proceskosten vergoeding (overige wijziging)). Dit leidt tot een proceskostenvergoeding van € 46,70 voor de fase bij de kantonrechter.
5.4 In totaal bedraagt de proceskostenvergoeding € 127,56. De officier van justitie heeft al een proceskostenvergoeding van € 56,61 toegekend voor de fase in administratief beroep. Voor zover dit bedrag reeds is uitbetaald, strekt dit in mindering op de door de kantonrechter vastgestelde proceskostenvergoeding.
Beslissing
De kantonrechter:
verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond;
vernietigt die beslissing;
veroordeelt de officier van justitie in de proceskosten van € 127,56;
bepaalt dat hierop een bedrag van € 56,61 in mindering strekt, als dat bedrag al is uitbetaald door de officier van justitie.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P.G. Wijtsma, kantonrechter, in aanwezigheid van R. de Hoop, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 1 oktober 2026.
griffier kantonrechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Als u het met de beslissing op uw beroep niet eens bent, dan kunt u binnen zes weken na de hieronder vermelde datum van toezending van deze beslissing hoger beroep instellen bij het
gerechtshof Arnhem - Leeuwarden, maar alleen als:
a. de u opgelegde administratieve boete meer dan € 110,00 bedraagt, of
b. uw beroep niet-ontvankelijk is verklaard omdat u geen (of niet op tijd) zekerheid heeft gesteld.
Het (hoger) beroepschrift moet worden ingediend bij de rechtbank Noord-Nederland, Afdeling Bestuursrecht, locatie Groningen (Postbus 150, 9700 AD Groningen). U dient daarbij het zaaknummer te vermelden.
De wet gaat uit van een geheel schriftelijke procedure, tenzij door u bij het (hoger) beroepschrift uitdrukkelijk om een zitting is gevraagd.