Rb. Noord-Nederland 12 juni 2026, ECLI:NL:RBNNE:2026:2286

Deze uitspraak gaat over de eerste heffing die de Minister aan NAM op grond van artikel 15 van de Tijdelijke Wet Groningen (hierna: TwG) heeft opgelegd. Het gaat om kosten die het Instituut Mijnbouwschade Groningen (het Instituut) heeft gemaakt in verband met de afhandeling van fysieke schade aan gebouwen en werken over het derde en vierde kwartaal van 2020. Het gaat om een bedrag van ruim 268 miljoen euro. NAM is het niet eens met de wijze waarop de door het Instituut vergoede fysieke schade door de Minister is doorbelast aan NAM en voert daar – kort samengevat – tegen aan dat de Minister op grote schaal vergoedingen bij NAM in rekening heeft gebracht voor reguliere schades die niet zijn veroorzaakt door gaswinning. Volgens NAM ontbreekt de wettelijke basis voor de doorbelasting; alleen vergoedingen die in overeenstemming zijn met de civielrechtelijke aansprakelijkheid van NAM en de daaraan verbonden – en redelijke – uitvoeringskosten mogen worden doorbelast. NAM stelt dat de Minister niet alle kosten die “aan de voordeur” zijn uitgekeerd, aan “de achterdeur” kan doorbelasten, maar zelfstandig moet beoordelen of er daadwerkelijk sprake is van mijnbouwschade. De rechtbank toetst in deze uitspraak of de gemaakte en doorbelaste kosten die gebaseerd zijn op het beleid en de werkwijze van het Instituut, passen binnen toepasselijke de bestuurs- en civielrechtelijke kaders. Bij haar beoordeling kijkt de rechtbank onder andere naar de wetsgeschiedenis, de civiele en bestuursrechtelijke rechtspraak en de beschikbare deskundigenrapporten. Twee van de belangrijkste geschilpunten zijn de afbakening van het effectgebied en de maatstaf voor weerlegging van het bewijsvermoeden. Hierover zijn door zowel NAM als de Minister diverse deskundigen benaderd. De rechtbank heeft kennisgenomen van de door partijen hierover ingebrachte stukken, waaronder deskundigenberichten, en heeft -behalve het juridische debat op de zittingen van 16 en 19 maart 2026- op de zitting van 17 maart 2026 ook een hele dag met diverse deskundigen over deze onderwerpen gesproken. Alles overziend komt de rechtbank tot het oordeel dat het Instituut de gekozen afbakening van het effectgebied kan hanteren en bij de maatstaf voor weerlegging van het bewijsvermoeden niet buiten de wettelijke kaders en de civiele rechtspraak hierover is getreden. Ook de beroepsgronden van NAM over zettingsschade, het causaliteitsonderzoek, toepassing overige regels uit het BW, het calculatiemodel, de uitvoeringskosten, het motiveringsbeginsel en artikel 1 van het Eerste Protocol van het EVRM slagen niet. De rechtbank komt in deze uitspraak daarom tot het oordeel dat de Minister de door het Instituut uitgekeerde schadevergoedingen voor fysieke schade en de door het Instituut gemaakte uitvoeringskosten terecht heeft doorbelast aan NAM.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken