Rb. Noord-Nederland 29 januari 2026, ECLI:NL:RBNNE:2026:213

De (voormalig) enig aandeelhouder van een concern schenkt zijn belang in dat concern onder voorwaarden aan eiser, die sinds 2007 onafgebroken werkzaam is voor het concern, voorafgaand aan de schenking als laatste in de functie van directeur. In geschil is of de waarde van de geschonken aandelen terecht als loon uit dienstbetrekking zijn aangemerkt door de inspecteur. De rechtbank stelt voorop dat de aandelen voorafgaand aan de schenking behoorden tot het privévermogen van de schenker en niet tot het vermogen van de werkgever van eiser (noch van een andere, tot het concern behorende vennootschap). Gesteld noch gebleken is dat de schenker op de een of andere manier door de werkgever van eiser of anderszins is gecompenseerd voor de verarming die bij hem is opgetreden als gevolg van de levering van de aandelen aan eiser. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de inspecteur tegen deze achtergrond geen feiten en omstandigheden aannemelijk gemaakt die de conclusie rechtvaardigen dat de aandelen toch loon van de werkgever vormen, waarmee de werknemer (eiser) als zodanig is bevoordeeld. De inspecteur heeft weliswaar gewezen op het causale verband tussen het verkregen voordeel en de dienstbetrekking, maar een dergelijk verband alleen betekent nog niet dat de werkgever dit voordeel aan de werknemer als zodanig heeft verstrekt. De rechtbank oordeelt ten slotte dat er ook geen sprake is van fooien en dergelijke prestaties van derden. Om daarvan te kunnen spreken, is in ieder geval vereist dat sprake is van prestaties die kunnen worden beschouwd als vergoeding, in ruime zin, voor hetgeen de werknemer als zodanig heeft verricht. De inspecteur heeft niet aannemelijk gemaakt dat hiervan sprake is geweest en dat de aandelen dus de vergoeding zijn voor werkzaamheden die eiser heeft verricht. Het beroep is gegrond.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken