Rb. Noord-Nederland 22 april 2026, ECLI:NL:RBNNE:2026:1403

De Christelijke Gemeente van Jehovah's Getuigen in Nederland (eiseres) heeft bij de rechtbank geprocedeerd over de weigering om bepaalde informatie openbaar te maken op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) en de Wet open overheid (Woo). Het gaat om informatie die samenhangt met het rapport ‘Seksueel misbruik en aangiftebereidheid binnen de gemeenschap van Jehova’s getuigen’ (het rapport). Dat rapport is in 2019 gepubliceerd door het Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum (WODC), na onderzoek door de Universiteit Utrecht (de universiteit). Deze uitspraak gaat over twee besluiten van de minister van Justitie en Veiligheid (de minister) tot gedeeltelijke openbaarmaking van documenten en documentonderdelen en de weigering tot openbaarmaking van andere documenten en documentonderdelen op grond van het door eiseres ingediende informatieverzoek. Die twee besluiten zijn het bestreden besluit op bezwaar en het herstelbesluit. De rechtbank oordeelt dat de weigering door de minister om documenten openbaar te maken niet in strijd is met artikel 8 van het EVRM. Voorop staat dat artikel 8 van het EVRM niet vereist dat alle verzochte gegevens openbaar worden gemaakt. Die bepaling biedt staten die partij zijn bij het verdrag de mogelijkheid om aan het openbaar maken van gegevens en documenten beperkingen te verbinden. De Wob voorziet in dergelijke beperkingen. Eiseres heeft niet geconcretiseerd in hoeverre het recht op eerbiediging van privé- en familieleven in de onderhavige zaak in het geding is en op welke wijze het primaire besluit, het bestreden besluit op bezwaar en/of het herstelbesluit dit recht zouden hebben aangetast. Met haar enkele stelling dat onbenoemde ledengroepen en individuele leden binnen haar gemeenschap in het recht op eerbiediging van privé- en familieleven zijn aangetast, is het door haar gestelde causale verband tussen de gedeeltelijke weigering om documenten openbaar te maken en de vermeende rechtsschending niet aannemelijk gemaakt. Dat eiseres voelt dat zij in het publieke debat op een informatieachterstand zou staan, doet aan dat gebrek aan concrete onderbouwing niet af. Voorts oordeelt de rechtbank dat de weigering door de minister om documenten openbaar te maken niet in strijd is met artikel 10 van het EVRM. In het betoog van eiseres ziet de rechtbank niet dat zich de zeer bijzondere omstandigheden voordoen als bedoeld in de vaste rechtspraak. Om zeer bijzondere omstandigheden aan te tonen, ligt het op de weg van eiseres om aan te tonen dat zij zonder de gevraagde informatie haar werk niet kan doen. Gelet op haar activiteiten als religieuze organisatie vervult eiseres niet een functie als publieke waakhond. Evenmin is haar werk het voeren van gerechtelijke procedures. Hoewel eiseres wel als werk heeft om haar leden te vertegenwoordigen, heeft zij niet aangetoond dat zij dat werk niet kan doen met het deel van de gevraagde informatie dat wel openbaar is gemaakt. Eiseres is in het licht van artikel 10, tweede lid, van het EVRM niet op onrechtmatige wijze belemmerd in haar aan het eerste lid van dat artikel ontleende recht om inlichtingen van de overheid te ontvangen. De rechtbank is voorts van oordeel dat eiseres terecht betoogt dat de zoekslag niet over de juiste periode is uitgevoerd. In deze beroepsprocedure heeft de minister erkend dat de zoekslag onvolledig is geweest wat betreft de periode waarop de zoekslag betrekking heeft. De minister heeft in deze beroepsgrond aanleiding gezien om het herstelbesluit te nemen en de periode vóór 3 juli 2018 alsnog te doorzoeken. Het bestreden besluit op bezwaar is op dit punt onvoldoende zorgvuldig voorbereid en onvoldoende deugdelijk gemotiveerd. De rechtbank is verder van oordeel dat de minister voldoende inzichtelijk heeft gemaakt hoe hij de zoekslag heeft verricht. Uit het bestreden besluit op bezwaar, het verweerschrift, het herstelbesluit en het aanvullend verweerschrift volgt dat de minister tijdens de zoekslag verschillende afdelingen van zijn ministerie heeft geraadpleegd. Daarbij zijn diverse e-mailaccounts en telefoons van betrokken medewerkers doorzocht. Ook is het documentregistratiesysteem door middel van verschillende zoektermen doorzocht. De minister heeft daarbij geconcretiseerd welke zoektermen zijn gebruikt. Voldoende aannemelijk is dat de minister daarbij een combinatie van zoektermen heeft gebruikt. Ook acht de rechtbank voldoende aannemelijk dat de minister een soortgelijke zoekslag heeft uitgevoerd ter voorbereiding van het herstelbesluit. De rechtbank is van oordeel dat de minister echter niet kan worden gevolgd in zijn standpunt in het herstelbesluit dat bepaalde gegevens niet of niet meer onder hem berusten. Na op grond van artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kennis te hebben genomen van de documenten die eiseres noemt, acht de rechtbank dit standpunt ongeloofwaardig wat betreft bepaalde documenten. Ongeloofwaardig is dat er geen documenten onder de minister berusten of hebben berust die zien op de periode van 26 oktober 2017 tot 5 januari 2018. Voldoende aannemelijk is dat er documenten zijn over de voorbereidingen en verwerking binnen het ministerie van het gesprek van 2 november 2017 met een vertegenwoordiging van eiseres en de voorbereiding van de Kamerbrief van 12 december 2017. Ook heeft de minister niet (voldoende) uitgelegd en duidelijk gemaakt waarom bepaalde sms-berichten, bepaalde Whatsapp-berichten en bepaalde e-mailberichten geen onderdeel uitmaken van het herstelbesluit. Het herstelbesluit is op deze punten onvoldoende zorgvuldig voorbereid en onvoldoende deugdelijk gemotiveerd. Daarnaast oordeelt de rechtbank over andere documenten dat de minister voldoende inzichtelijk heeft gemaakt dat die documenten zijn beoordeeld, hoe die zijn beoordeeld en waarom hij bepaalde (gedeeltes van) documenten niet openbaar heeft gemaakt. Na kennisneming van de ongelakte documentnummers die eiseres noemt en andere ongelakte documentnummers, is de rechtbank van oordeel dat de minister verschillende documentonderdelen op grond van artikel 10, tweede lid, aanhef en onder g, van de Wob heeft mogen weigeren. In het bestreden besluit op bezwaar heeft de minister voldoende deugdelijk gemotiveerd waarom openbaarmaking daarvan leidt tot onevenredige benadeling van zijn ministerie, andere instanties, de Stichting en de Staat. Anders dan eiseres betoogt, is dat nadeel voldoende concreet en actueel. Wat de specifiek door eiseres genoemde documentnummers betreft, heeft de minister mogen wijzen op juridische procedures die worden gevoerd over het universiteitsonderzoek en het rapport en de onevenredig nadelige invloed die openbaarmaking van die documenten daarop zou kunnen hebben. Verder is de rechtbank van oordeel dat de minister in het bestreden besluit op bezwaar voldoende deugdelijk heeft gemotiveerd waarom het openbaar maken van een deel van de informatie is geweigerd omdat sprake is van persoonlijke beleidsopvattingen. Verschillende documenten dienen de beleidsvoorbereiding of -uitvoering en zijn daarmee persoonlijke beleidsopvattingen. Aangezien in diverse documenten namen en functies van de desbetreffende ambtenaren al openbaar zijn gemaakt, is redelijkerwijs geweigerd om andere gelakte documentonderdelen in niet tot personen herleidbare vorm openbaar te maken. De rechtbank heeft voorts op grond van artikel 8:29 van de Awb kennisgenomen van de gelakte en ongelakte 98 conceptdocumenten die eiseres in haar beroepsgronden aanhaalt en waarop het herstelbesluit betrekking heeft. Gelet op de omvang van die documenten en het feit dat eiseres in haar betoog over het herstelbesluit geen specifieke documentnummers noemt, heeft de rechtbank steekproefsgewijs documentnummers bekeken en de motivering van de minister langs de lat gelegd die in de vaste rechtspraak wordt genoemd. De rechtbank komt op basis van de steekproef tot het oordeel dat de door eiseres genoemde 98 documenten op grond van artikel 5.2, eerste lid, van de Woo zijn opgesteld ten behoeve van intern beraad en dat daarin persoonlijke beleidsopvattingen zijn opgenomen. Voldoende duidelijk is dat verschillende e-mailberichten, met conceptteksten voor beleidsstukken, per zelfstandig onderdeel zijn beoordeeld. Van die e-mailberichten is een groot deel door de minister openbaar gemaakt. Voor zover toepassing is gegeven aan bovengenoemde weigeringsgrond is dat per documentonderdeel op de e-mailberichten aangegeven. De geweigerde documentonderdelen bevatten ambtelijke adviezen, visies, standpunten en/of overwegingen ten behoeve van intern beraad. Dit laatste is ook het geval voor zover conceptdocumenten integraal zijn geweigerd op die weigeringsgrond. De minister heeft voldoende inzichtelijk gemaakt welke documentnummers conceptversies van openbaargemaakte documenten zijn. In de onderzochte documenten is ook sprake van verwevenheid van feiten met persoonlijke beleidsopvattingen. De minister heeft daadwerkelijk enkel de persoonlijke beleidsopvattingen en de daarmee onlosmakelijk verweven informatie weggelakt. Anders dan eiseres betoogt, is van integrale weigering van beleidsalternatieven in dit geval geen sprake geweest. Daarnaast oordeelt de rechtbank dat minister het openbaar maken van functienamen heeft kunnen weigeren ter eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer. Anders dan eiseres stelt, zijn in verschillende documenten die met het herstelbesluit openbaar zijn gemaakt, functienamen van ambtenaren opgenomen. Van het categorisch weigeren van openbaarmaking van functienamen is in dit geval dus geen sprake. Ook is van belang dat de minister in het herstelbesluit heeft uitgelegd dat persoonsgegevens zoals functienamen per documentpassage zijn beoordeeld. Dit volgt ook uit de gelakte en ongelakte versies van de documentnummers behorende bij het herstelbesluit. Verder is van belang dat tussen partijen niet in geschil is dat de ambtenaren van wie de functienamen zijn gelakt, niet vanuit hun functie in de openbaarheid treden. De minister heeft in het herstelbesluit uitgelegd waarom in dit geval de bescherming van privacy vanuit goed werkgeverschap zwaarder weegt dan het belang van openbaarheid van functienamen. Die motivering is voldoende toegesneden op de concrete feiten en omstandigheden van dit geval. De rechtbank is voorts van oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat het belang van openbaarmaking van bepaalde documenten en documentonderdelen niet opweegt tegen het belang bij het goed functioneren van de Staat, andere publiekrechtelijke lichamen of bestuursorganen. Na kennisneming van de gelakte en ongelakte documenten behorende bij het herstelbesluit stelt de rechtbank vast dat de minister op de documenten per alinea en op de inventarisatielijst heeft aangegeven of artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder i, van de Woo op een document en/of op documentonderdelen is toegepast. Op de inventarisatielijst is ook aangegeven welke documentnummers conceptdocumenten zijn en wat (het ID-nummer van) de definitieve, openbaargemaakte documentversie is. Eiseres wordt daarom niet gevolgd in haar stelling dat de minister bij het toepassen van deze weigeringsgrond documenten niet per alinea op hun concrete inhoud heeft beoordeeld. Wat de conceptdocumenten betreft, heeft de minister in het herstelbesluit voldoende deugdelijk gemotiveerd waarom openbaarmaking van meerdere versies van één document onwenselijk is voor het goed functioneren van de Staat, andere publiekrechtelijke lichamen of bestuursorganen. Anders dan eiseres betoogt, ziet die motivering niet enkel op de aard of status van die documenten. Ook de inhoud van die documenten is door de minister betrokken. Hij heeft daarbij mede betrokken wat die inhoud zou kunnen betekenen voor (onduidelijkheden in) het publieke debat. Gelet op de ongelakte inhoud van de conceptdocumenten in deze zaak en het onderwerp waarmee die documenten samenhangen – namelijk het onderzoek naar aanleiding van de motie van de Tweede Kamer der Staten-Generaal van 3 juli 2018 (Kamerstukken II 2017-2018, 31015, nr. 154) – leidt de verwijzing van eiseres naar artikel 2.4 van de Woo niet tot een ander oordeel. Voldoende duidelijk is dat de conceptdocumenten in deze zaak niet zozeer onjuist of onvolledig zijn, maar onderdeel zijn (geweest) van het proces hoe de minister omging met het onderzoek naar aanleiding van de motie. Wat de correspondentie met derden betreft, heeft de minister in het herstelbesluit voldoende deugdelijk gemotiveerd waarom openbaarmaking van die documenten en documentonderdelen onwenselijk is voor het goed functioneren van de Staat, andere publiekrechtelijke lichamen of bestuursorganen. Anders dan eiseres betoogt, ziet die motivering niet enkel op de aard, de status en/of het onderwerp van die documenten en documentonderdelen. In het herstelbesluit heeft de minister specifieke documenten benoemd waarop hij de weigeringsgrond heeft toegepast. Daarmee is voldoende aannemelijk dat de minister ook de inhoud van die documenten en documentonderdelen heeft betrokken bij zijn motivering om de weigeringsgrond toe te passen. Uit de ongelakte inhoud van die documenten en documentonderdelen volgt dat die gaan over (mogelijk) handelen van Jehovah’s Getuigen en over de invloed die dat handelen mogelijk heeft op het onderzoek naar aanleiding van de motie. Die inhoud raakt de zorgvuldige beleidsvoorbereiding, zoals door de minister in het herstelbesluit benoemd. Van een te algemene motivering in dat besluit, zoals eiseres stelt, is daarom geen sprake. De inhoud van de geweigerde documenten en documentonderdelen is nog steeds actueel, gelet op de aandacht die het universiteitsonderzoek blijft genereren en gelet op vervolgonderzoek door het WODC. De rechtbank is verder van oordeel dat er sprake is van intern beraad ten aanzien van documenten afkomstig van de universiteit, de Stichting Reclaimed Voices (de Stichting) en de begeleidingscommissie ingesteld door het WODC. Documenten opgesteld door de universiteit zijn opgesteld met het oog op gebruik binnen de overheid. De rechtbank volgt eiseres niet in het betoog dat de universiteit een eigen belang heeft dat als zodanig bij het beraad een rol speelt. De minister heeft naar het oordeel van de rechtbank kunnen concluderen dat het uitvoeren van een gedegen wetenschappelijk onderzoek vooropstond bij de universiteit. Dat is temeer aannemelijk gelet op de onderzoeksopdracht die het WODC aan de universiteit heeft gegeven naar aanleiding van de motie. Ook documenten afkomstig van de Stichting zijn ten behoeve van intern beraad opgesteld. Na kennisneming van de ongelakte documenten afkomstig van de Stichting stelt de rechtbank vast dat de Stichting in die stukken opvattingen en voorstellen met het WODC en het ministerie heeft gedeeld over een bestuurlijke aangelegenheid, namelijk het onderzoek naar aanleiding van de motie. Verschillende documentonderdelen die daarop zien, zijn door de minister beoordeeld en openbaar gemaakt. Van sturing van het WODC en/of de minister door de Stichting, met het oog op een gesteld eigen belang van de Stichting, is geen sprake geweest. Uit e-mailcorrespondentie tussen de Stichting en het WODC volgt dat vanuit het WODC is aangegeven dat niet de inbreng van de Stichting, maar de inhoud van de motie aanleiding is geweest om de onderzoekaanpak in het najaar van 2018 aan te passen. Van advisering of gestructureerd overleg van de Stichting met het WODC is geen sprake geweest. De rechtbank is verder van oordeel dat de minister op goede gronden heeft geconcludeerd dat documenten afkomstig van de begeleidingscommissie ten behoeve van intern beraad zijn opgesteld. Na kennisneming van de ongelakte documenten afkomstig van de begeleidingscommissie stelt de rechtbank vast dat die documenten de beleidsvoorbereiding of -uitvoering dienen en daarmee als geheel persoonlijke beleidsopvattingen betreffen. In die documenten is sprake van zodanige verwevenheid van feitelijke gegevens met persoonlijke beleidsopvattingen, dat die feitelijke gegevens niet van die beleidsopvattingen zijn te scheiden. In het bestreden besluit op bezwaar heeft de minister dit voldoende toegelicht. De rechtbank verklaart het beroep gegrond, vernietigt het bestreden besluit op bezwaar en het herstelbesluit beiden gedeeltelijk en draagt de minister op om een nieuw besluit op het bezwaar van eiseres te nemen over de vernietigde besluitonderdelen. Aan eiseres wordt een schadevergoeding toegekend voor geleden immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken