Rb. Noord-Nederland 15 augustus 2024, ECLI:NL:RBNNE:2024:3359

Wahv. Meervoudige Kamer. Artikel 13a, vijfde lid, van de Wahv in strijd met het gelijkheidsbeginsel en het discriminatieverbod in de zin van artikel 14 van het EVRM en/of artikel 26 van het IVBPR? De rechtbank overweegt dat het hof in zijn recente arrest van 17 juni 2024 heeft gesteld dat deze bepalingen de rechtstreeks uit de wet voortvloeiende wijze van uitvoering betreffen van een door de officier van justitie, de kantonrechter of het hof gegeven beslissing, houdende de toekenning van een proceskostenvergoeding. Gelet op vorenstaande heeft het hof geoordeeld dat de officier van justitie, de kantonrechter of het hof niet bevoegd is omtrent deze feitelijke uitvoering van zijn beslissingen een oordeel te geven en dat men zich bij geschillen omtrent de wijze van uitbetaling van de proceskostenvergoeding dient te wenden tot de burgerlijke rechter. De rechtbank volgt dit oordeel van het hof en zal zich derhalve onbevoegd verklaren om over dit verweer van gemachtigde te oordelen.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken