Rb. Noord-Nederland 26 juni 2024, ECLI:NL:RBNNE:2024:2521
Omgevingsvergunningen voor 16 mono-mestvergisters. Biogashub. Wet natuurbescherming. De rechtbank is van oordeel dat het college zich niet zonder meer op het standpunt kon stellen dat de toevoer van mest en de verwerking van digestaat niet onlosmakelijk verbonden zijn met de mestvergisting en niet betrokken hoefde te worden bij de beoordeling van de vergunningaanvraag. Nu niet duidelijk is waar het college ten aanzien van het gehele mestvergistingsproces van is uitgegaan, kon het college naar het oordeel van de rechtbank op grond van de voorliggende informatie ook niet op voorhand uitsluiten dat er geen significante effecten zijn op een Natura 2000 gebied. Verder is in geschil of de 16 mono-mestvergisters gezamenlijk als één project in de zin van de Wet natuurbescherming moeten worden aangemerkt. De rechtbank is van oordeel dat het college zich met de voorliggende aanvragen niet op het standpunt kon stellen dat het biogas op meerdere manieren kan worden benut en de mestvergisters daarom gezamenlijk niet één project vormen. Het bestreden besluit is daarom in strijd met het motiveringsbeginsel en zorgvuldigheidsbeginsel.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
- Artikel 13.6 Wm
- Artikel 13.9 Wm
- Artikel 13.11 Wm
- Artikel 1:2 Awb
- Artikel 3:2 Awb
- Artikel 6:11 Awb
- Artikel 7:12 Awb
- Artikel 8:72 Awb
- Artikel 10:32 Awb
- Artikel 13 Tracew
- Artikel 9 Sww
- Artikel 2.1 Wet ruimtelijke ordening
- Artikel 2.2 Wet ruimtelijke ordening
- Artikel 2.3 Wet ruimtelijke ordening
- Artikel 2.27 Wabo
- Artikel 3.9 Wabo
- Artikel 3.10 Wabo
- Artikel 2.2aa Bor
- Artikel 6.10a Bor
- Artikel 1.3 Wet natuurbescherming