Rb. Noord-Nederland 30 januari 2024, ECLI:NL:RBNNE:2024:217

De rechtbank is van oordeel dat in de gegeven omstandigheden voldoende is komen vast te staan dat verdachte zich zodanig in het verkeer heeft gedragen dat schuld in de zin van artikel 6 WVW bewezen kan worden. De rechtbank overweegt daartoe als volgt. De aard en ernst van de normschending Met het tot stilstand brengen van een grote, zware tankwagen midden op de A28 heeft de verdachte drie van de vier in de tenlastelegging vermelde zorgvuldigheidsnormen geschonden. Dit kan worden aangemerkt als gevaarzettend en daarmee onvoorzichtig gedrag, omdat hierdoor van achter komend verkeer moet uitwijken en er eenvoudig een file kan ontstaan met als bijkomstig gevaar dat andere weggebruikers deze over het hoofd zien. Deze gevaren kunnen op zich reeds als algemeen bekend worden verondersteld , maar zijn ook de afgelopen jaren veelvuldig onderwerp geweest van publiek debat in het kader van protestacties op wegen van niet alleen boeren maar bijvoorbeeld ook van de ‘Blokkeerfriezen’. Voornoemd gevaar heeft zich overigens ook daadwerkelijk verwezenlijkt doordat andere weggebruikers moesten uitwijken door links en rechts langs de tankwagen van verdachte te rijden, plotseling krachtig moesten remmen en er binnen een minuut reeds een file van (in ieder geval) een halve kilometer was ontstaan. De aard van de gedraging van verdachte in combinatie met de omstandigheden waaronder deze is verricht, maken dat de rechtbank tevens van oordeel is dat verdachte aanmerkelijk onvoorzichtig heeft gehandeld. Verdachte verrichtte zijn actie onaangekondigd , op een tijdstip waarop er veel verkeer op de A28 reed . Bovendien plaatste hij zijn tankwagen midden op de A28, hetgeen als extra en onnodig gevaarzettend kan worden aangemerkt. Het schuldverband Vaststaat dat verdachte met het stopzetten van zijn tankwagen op de hierboven beschreven wijze de file heeft veroorzaakt die door de andere verdachte in deze zaak (-) over het hoofd is gezien. Het handelen van verdachte is daarom een noodzakelijke schakel geweest in de keten van gebeurtenissen die uiteindelijk tot de dood van het slachtoffer hebben geleid. Daarmee is echter nog niet zonder meer gezegd dat aan het in art. 6 WVW vereiste schuldverband is voldaan. Daarvoor dient immers te worden vastgesteld dat het ongeval in redelijkheid is toe te rekenen aan het aanmerkelijk onvoorzichtige optreden van verdachte. Uitgangspunt daarbij is dat indien de gedraging naar haar aard geschikt was om het uiteindelijk resultaat teweeg te brengen of het risico daarop in relevante mate heeft verhoogd, tussenkomende factoren de causaliteitsketen niet doorbreken. Dit wordt niet anders doordat de nadien opgekomen omstandigheden in belangrijke mate tot het intreden van het gevolg hebben bijgedragen, of zelfs moeten worden aangemerkt als de rechtstreekse oorzaak van dat gevolg. Daarmee is de medeschuld van anderen voor de vaststelling van de strafrechtelijke culpa weliswaar niet direct relevant (de eigen schuld van de verdachte staat immers centraal ), maar het kan wel zo zijn dat fouten van anderen de mate van schuld bij verdachte kunnen doen afnemen, eventueel zelfs in die mate dat van een aanmerkelijke verwijtbare onvoorzichtigheid niet meer kan worden gesproken. Van dat laatste is naar het oordeel van de rechtbank in deze zaak echter geen sprake. Met het onaangekondigd gaan stilstaan midden op een snelweg onder de hierboven vermelde omstandigheden heeft verdachte een volgens algemene ervaringsregels voorzienbaar gevaar gecreëerd voor het verkeer. Daarbij is de eigen fout van de bestuurder van de bestelbus (het compleet over het hoofd zien van de file en het daardoor met volle snelheid inrijden op het slachtoffer) weliswaar ook een grove fout, maar niet een dusdanige fout dat het niet langer redelijk is om het ongeval en de dood van het slachtoffer nog voor rekening van verdachte te laten komen. De reden hiervoor is dat het door onoplettendheid over het hoofd zien van een plotseling ontstane file een typisch en voorzienbaar gevolg is van de aan verdachte verweten onvoorzichtigheid en de gevaren die daarmee worden veroorzaakt. De rechtbank is overigens van oordeel dat van roekeloosheid als zwaarste schuldvorm geen sprake is geweest. Nu verdachte de weg niet volledig heeft versperd of geblokkeerd, zijn tankwagen heeft laten uitrollen in plaats van abrupt tot stilstand te brengen, hij voorafgaande aan het stilzetten van de tankauto zijn zwaailichten en gevaarlichten aan heeft gezet en ook een andere persoon dan verdachte een fors verwijt kan worden gemaakt van het ongeval, kan niet worden gezegd dat hij buitengewoon onvoorzichtig heeft gehandeld dan wel de verkeersregels opzettelijk in ernstige mate heeft geschonden.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken