Rb. Noord-Nederland 26 augustus 2022, ECLI:NL:RBNNE:2022:3236

Toekenning schadevergoeding wegens fysieke schade na mijnbouwactiviteiten De rechtbank stelt allereerst vast dat het beroep van rechtswege mede betrekking heeft op bestreden besluit 2 van 9 december 2021. Dat besluit houdt een wijziging van bestreden besluit 1 van 6 juli 2021 in, te weten dat verweerder aan eiser alsnog BTW en vergoedingen voor parkeerkosten en deskundigenkosten heeft toegekend. De rechtbank is van oordeel dat de door verweerder ingeschakelde deskundigen voldoende inzichtelijk hebben onderbouwd hoe de vaststelling van de fysieke schade aan het pand heeft plaatsgevonden en welke conclusies op basis van die vaststelling moeten worden getrokken. Alle drie deskundigen zijn tot soortgelijke conclusies gekomen over de aard en omvang van de fysieke schade aan het pand. Naar het oordeel van de rechtbank vormen eisers opmerkingen in beroep over zijn eigen waarnemingen van de fysieke schade aan het pand en de conclusies van Sleurink onvoldoende aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid of volledigheid van de deskundigenadviezen van de door verweerder ingeschakelde deskundigen. De rechtbank is voorts van oordeel dat de door verweerder ingeschakelde deskundigen voldoende inzichtelijk hebben gemaakt waarom met de geadviseerde herstelwerkzaamheden kan worden volstaan voor herstel van de schades aan het pand. Rekening houdend met de door eiser genoemde werkzaamheden zijn daarvoor op basis van het model vergoedingen vastgesteld. Die vergoedingen zijn inclusief bepaalde opslagen. Met zijn enkele verwijzing naar de calculatie van Sleurink heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat de door de andere deskundigen geadviseerde herstelwerkzaamheden en -kosten niet voldoende zijn. Zo heeft eiser verweerders standpunt over ongerijmdheden in de calculatie van Sleurink niet bestreden. Gelet daarop bestaan er in dit geval geen aanknopingspunten voor twijfel aan de door Klok geadviseerde herstelwerkzaamheden en -kosten. Evenmin bestaat aanleiding om in dit geval van het model af te wijken. De rechtbank is daarnaast van oordeel dat verweerder zich op basis van de adviesrapporten van de door hem ingeschakelde deskundigen op het standpunt mocht stellen dat de kosten voor projectmanagement zijn meegenomen in de toegekende schadevergoeding. Zo maakt een toeslag deel uit van de op basis van het calculatiemodel geadviseerde vergoeding. De deskundigen hebben voldoende inzichtelijk gemaakt dat bij de vaststelling van de vergoeding rekening is gehouden met de specifieke kenmerken van het pand en (de aard van) de herstelwerkzaamheden die nodig zijn om de schades te herstellen. Eisers enkele stellingen over onduidelijkheid van de schadevaststelling leveren geen concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de adviesrapporten op. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat, anders dan eiser betoogt, voor verhuiskosten in de Procedure en werkwijze van het Instituut mijnbouwschade Groningen een concrete schadebegroting is neergelegd (vergelijk de uitspraak van de ABRvS van 24 november 2021, ECLI:NL:RVS:2021:2625). Dat betekent dat de kosten voor de verhuizing (zowel privé als zakelijk) op basis van werkelijk gemaakte kosten dienen te worden beoordeeld. Dat heeft tot gevolg dat eiser eerst nadat de kosten zijn gemaakt, een aanvraag op grond van de Procedure en werkwijze bij verweerder kan indienen. Eisers verwijzing naar artikel 6:105 van het Burgerlijk Wetboek maakt deze afzonderlijke vergoedingsregeling niet anders. Wat betreft de te maken ICT-kosten is de rechtbank van oordeel dat deze samenhangen met de verhuizing van eisers onderneming. Daarvoor geldt naar het oordeel van de rechtbank dus eveneens dat deze achteraf aan de hand van facturen moeten worden beoordeeld. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat eventuele omzetderving in dit geval pas kan worden begroot wanneer de herstelwerkzaamheden daadwerkelijk zijn uitgevoerd. Artikel 2.6, derde lid, van de Procedure en werkwijze laat ook ruimte om daartoe een aanvraag in te dienen. Dat eiser op dit moment al een raming van de omzetderving heeft gemaakt, doet niets af aan het feit dat op dit moment onduidelijk is wat uitvoering van de herstelwerkzaamheden daadwerkelijk zal betekenen voor de omzet van eisers bedrijf. Voorts is de rechtbank van oordeel dat de door eiser opgevoerde kosten in verband met de behandeling van zijn aanvraag en zijn bezwaar, anders dan eiser betoogt, niet vallen onder artikel 2.6, derde lid, van de Procedure en werkwijze. Niet gebleken is dat eiser kosten heeft gemaakt voor juridische begeleiding als bedoeld in dat artikel. In bestreden besluit 1 is dan ook terecht geconcludeerd dat deze kostenposten niet voor vergoeding in aanmerking komen. De rechtbank is concluderend van oordeel dat het beroep gegrond is, voor zover dat was gericht tegen de afwijzing van vergoeding van BTW, parkeerkosten en deskundigenkosten in bestreden besluit 1. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit 1 in zoverre. Nu verweerder in het bestreden besluit 2 alsnog een vergoeding heeft toegekend, ziet de rechtbank geen aanleiding om zelf in de zaak te voorzien. Het beroep tegen het bestreden besluit 2 is ongegrond.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken