Rb. Noord-Nederland 9 september 2021, ECLI:NL:RBNNE:2021:3998
Bijkomende kosten na vergoeding mijnbouwschade Met betrekking tot de vergoeding voor thuisblijven bij schadeherstel is de rechtbank van oordeel dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij in aanmerking komt voor een hogere vergoeding dan de reeds bij besluiten van 27 mei 2020 en 16 november 2020 toegekende dagdelen. Eiser heeft niet onderbouwd dat meer tijd nodig is. Het bestreden besluit wordt op dit onderdeel in stand gelaten. Met betrekking tot de door eiser opgevoerde ziektekosten is de rechtbank van oordeel dat eiser het gestelde causale verband tussen die kosten en de door mijnbouwactiviteiten veroorzaakte fysieke schade aan de woning niet heeft onderbouwd. Dit is in het beroepschrift ook onderkend, door op te merken dat er geen arts in het noorden bereid is om schriftelijk te bevestigen dat de gezondheidsklachten veroorzaakt zijn door mijnbouw en dat dit ook lastig is aan te tonen. In het bestreden besluit is dan ook terecht geconcludeerd dat deze kostenpost niet voor vergoeding in aanmerking komt. Het bestreden besluit wordt op dit onderdeel in stand gelaten. De rechtbank is verder van oordeel dat de door eiser opgevoerde kosten in verband met de behandeling van het bezwaar waarop verweerder heeft beslist, anders dan eiser betoogt, niet vallen onder artikel 2.6, derde lid, van de procedure en werkwijze. Niet gebleken is dat eiser kosten heeft gemaakt voor juridische begeleiding als bedoeld in dat artikel. Daarbij zij opgemerkt dat eiser daarnaast geen bepaling heeft genoemd die het wel mogelijk maakt om een vergoeding te krijgen voor het tijdsverlies dat gepaard gaat met het opstellen van een bezwaarschrift, of rechtspraak die dat als een reële dan wel redelijke kostenpost aanmerkt. In het bestreden besluit is dan ook terecht geconcludeerd dat deze kostenpost niet voor vergoeding in aanmerking komt. Het bestreden besluit wordt op dit onderdeel in stand gelaten. Het beroep richt zich verder tegen de door eiser opgevoerde derving van huurinkomsten (€ 600,- per maand) en opslagkosten (€ 40,- per maand). De vraag is in hoeverre deze kosten op verweerder kunnen worden verhaald. Verweerder heeft zich bij verweerschrift van 4 juni 2021 op het standpunt gesteld dat de in het bestreden besluit gemaakte vaststelling van de huurderving en de opslagkosten voor discussie vatbaar is. Verweerder heeft ter zitting naar voren gebracht dat de huurderving in het bestreden besluit op te weinig maanden is vastgesteld, maar dat verweerder niet uitkomt op de op 30 september 2019 opgevoerde twaalf maanden. Verder heeft verweerder ter zitting laten weten dat aan de periode waarvoor huurderving wordt aangenomen de gevraagde opslagkosten van € 40,- per maand kunnen worden gekoppeld. In het licht hiervan is het beroep gegrond. De rechtbank acht het van belang dat verweerder schriftelijk aan eiser kenbaar maakt welke uitgangspunten volgens verweerder wél recht doen aan het verzoek, uitlegt hoe tot deze uitgangspunten is gekomen en tot welk tijdvak en vergoeding dit leidt. Daarbij is van belang dat een begin- en einddatum wordt gegeven. Zonder deze motivering -en daarmee tevens een adequate reactiemogelijkheid voor eiser- ziet de rechtbank onvoldoende basis om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht zelf in de zaak te voorzien. Dit betekent dat verweerder opnieuw dient te beslissen over de door eiser opgevoerde derving van huurinkomsten en opslagkosten. De rechtbank verklaart het beroep gegrond, vernietigt een deel van het bestreden besluit en draagt verweerder op om een nieuw besluit te nemen over de vergoeding voor gederfde huurinkomsten en opslagkosten.
De uitspraak op rechtspraak.nl