Rb. Noord-Nederland 2 maart 2021, ECLI:NL:RBNNE:2021:885
De legitieme portie wordt op grond van de redelijkheid en billijkheid in afwijking van het uitgangspunt berekend aan de hand van de waarde van het vermogen aan het einde van de vereffening. De kantonrechter is van oordeel dat het onverkort vasthouden aan de letter van artikel 4:6 BW in samenhang met artikel 4:65 BW in dit geval tot het onaanvaardbare, onevenwichtige resultaat zou leiden dat de erfgenamen/legitimarissen het nakijken hebben en de legatarissen wel een deel van hun legaat ontvangen. Het is de bedoeling van de wetgever met de legitieme portie een gedeelte van de waarde van het vermogen van erflater voor de legitimaris veilig te stellen. Daarom heeft een legitieme aanspraak voorrang op een legaat. Op de datum van overlijden was niet inzichtelijk wat de omvang van de nalatenschap was. Wel was de inschatting dat de nalatenschap negatief zou zijn. Het is alleen aan de inspanningen van de vereffenaars en de bemoeienissen van de voornaamste schuldeiser te danken dat na enkele jaren de nalatenschap positief is geworden. Was het anders gelopen en waren de vereffenaars bijvoorbeeld direct overgegaan tot liquidatie van de onderneming, dan had de legataris ook niets gehad. Het argument dat een legitimaris geen bemoeienis heeft met de nalatenschap en dat een waardestijging of daling hem niet aangaat, gaat in deze situatie niet op.
De uitspraak op rechtspraak.nl