Rb. Noord-Nederland 11 november 2021, ECLI:NL:RBNNE:2021:4857
De rechtbank is van oordeel dat nu de strafzaak tegen verzoekster niet is geëindigd zonder oplegging van enige straf of maatregel verzoekster geen recht heeft op vergoeding van de door haar gemaakte kosten ten behoeve van rechtsbijstand op grond van artikel 530 Sv. De term “zaak” ziet in het algemeen op een strafvervolging van een persoon ter zake van één of meer strafbare feiten (HR 27 mei 1999, NJ 1999, 635, rov. 3.3.4). In het arrest van 8 mei 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB1502 heeft de Hoge Raad uiteengezet wat een zaak omvat. Ingevolge dat arrest moet worden aangenomen dat in het eerste lid van artikel 258 Sv onder "de zaak" moet worden verstaan al datgene waarop het rechtsgeding betrekking heeft. Dat brengt mee dat in het geval dat een onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgehad de term "zaak" in artikel 530 Sv dan ook de betekenis heeft van "al datgene waarop het rechtsgeding betrekking had" en dat de grenzen daarvan zijn vastgelegd in hetgeen bij inleidende dagvaarding aan de verdachte is ten laste gelegd. Hieruit volgt dat indien in een strafzaak binnen de hiervoor aangegeven grenzen meer feiten cumulatief aan de rechter ter beoordeling zijn voorgelegd, de zaak eerst is geëindigd indien de rechter met betrekking tot al die feiten einduitspraak heeft gedaan en deze einduitspraak onherroepelijk is. De omstandigheid dat deze uitleg van de term "zaak" in de praktijk tot uitkomsten kan leiden die als onbillijk worden ervaren, achtte de Hoge Raad niet zo dwingend dat zij zou moeten leiden tot doorbreking van de wetssystematiek. Uit het arrest van de Hoge Raad valt voorts af te leiden dat niet van belang is of er enig verband bestaat tussen de feiten of zaken die ten laste zijn gelegd. Het voorgaande is alleen dan anders wanneer er sprake is van zaken onder twee of meer parketnummers, die ter terechtzitting zijn gevoegd en waarbij in een van de zaken geen veroordeling is gevolgd. Die situatie doet zich hier niet voor.
De uitspraak op rechtspraak.nl