Rb. Noord-Nederland 23 april 2021, ECLI:NL:RBNNE:2021:1582
Tussen partijen is in geschil of eiser zijn onderneming heeft gestaakt. Indien die vraag positief wordt beantwoord, is in geschil of (een deel van) de stakingswinst met toepassing van artikel 3.64 Wet IB 2001 aangemerkt kan worden als te conserveren inkomen. De rechtbank overweegt dat eiser zijn onderneming heeft gestaakt. Voor de toepassing van artikel 3.64 Wet IB 2001 is voor het onderhavige geschil van belang of er een herinvesteringsvoornemen bestond ultimo 2015. Naar het oordeel van de rechtbank bestond dit voornemen voor een deel van het door eiser geclaimde bedrag, te weten € 42.500. Inmiddels is bekend dat eiser dat bedrag niet binnen 12 maanden heeft geherinvesteerd, maar dit acht de rechtbank niet van belang voor het in geschil zijnde jaar. Eiser kan onder omstandigheden immers verzoeken om die termijn te verlengen, waarop per afzonderlijke beschikking door verweerder dient te worden beslist. Dat is (nog) niet gedaan en de rechtbank kan daar dus geen oordeel over vormen. Verweerder heeft ter zitting verdedigd, zoals de rechtbank heeft begrepen, dat de systematiek van de conserverende aanslag meebrengt dat verweerder eerst een gewone aanslag oplegt en dan een conserverende. Dit zou nadelig zijn voor eiser omdat het gezien het tijdsverloop nu wellicht niet meer mogelijk is om alsnog een conserverende aanslag op te leggen. Naar het oordeel van de rechtbank is het standpunt van verweerder onjuist. De rechtbank merkt € 42.500 aan als te conserveren inkomen en vermindert het belastbaar inkomen uit werk en woning dienovereenkomstig.
De uitspraak op rechtspraak.nl