Rb. Noord-Nederland 29 januari 2019, ECLI:NL:RBNNE:2019:421
IB/PVV 2013. Vader staakt in 2000 zijn onderneming. De onderneming, een akkerbouwbedrijf, wordt voortgezet door zijn dochter en zijn schoonzoon. In 2012 gaan vader, dochter en schoonzoon een maatschap aan en vanaf dat moment exploiteren zij het akkerbouwbedrijf voor gezamenlijke rekening en risico. Niet in geschil is dat de maatschap in civielrechtelijke zin tot stand is gekomen, met alle daaraan verbonden rechten en verplichtingen voor vader. De rechtbank oordeelt dat zich niet de situatie voordoet dat de maten geen rechtshandelingen zijn aangegaan, dan wel dat zij in werkelijkheid andere rechtshandelingen zijn aangegaan dan zij volgens de maatschapsovereenkomst hebben gepresenteerd. Dat vader in de toekomst mogelijk gebruik zal maken van bedrijfsopvolgingsfaciliteiten in de schenk- en/of erfbelasting, maakt dat naar het oordeel van de rechtbank niet anders. Het verzoek van vader om vergoeding van de werkelijke proceskosten van vader wijst de rechtbank af.
De uitspraak op rechtspraak.nl