Rb. Noord-Nederland 12 juli 2018, ECLI:NL:RBNNE:2018:2759

Tijdens het opmaken van de jaarstukken voor eiser zijn eenmanszaak blijkt dat ultimo 2011 een omzetbelastingschuld bestond. Eiser heeft in 2011 ook geen aangiften of voldoeningen omzetbelasting gedaan. De omzetbelastingschuld wordt op de balans opgenomen. Er wordt door eiser geen melding gedaan aan de verweerder. Voor de verschuldigde omzetbelasting legt verweerder aan eiser een naheffingsaanslag, en twee boeten op. Eén boete op grond van artikel 67f van de AWR, en één boete op grond van artikel 10a van de AWR. Alleen de boeten zijn in geschil. Ter zitting neemt verweerder uiteindelijk het standpunt in dat de boete op grond van artikel 67f van de AWR dient te worden vernietigd, en dat de boete op grond van artikel 10a van de AWR moet worden vastgesteld op een bedrag van € 100. De rechtbank vernietigt beide boeten. Ten aanzien van de boete op grond van artikel 67f van de AWR volgt de rechtbank het nadere standpunt van verweerder. Ten aanzien van de boete op grond van artikel 10a van de AWR overweegt de rechtbank dat deze is opgelegd vanwege het niet voldoen aan de verplichting van artikel 15 van het UB OB (de suppletieplicht voor de omzetbelasting). Artikel 15 van het UB OB verplicht echter alleen het melden van een onjuistheid of onvolledigheid in een gedane aangifte. Omdat tussen partijen vaststaat dat eiser helemaal geen aangiften over het betreffende tijdvak gedaan heeft, levert de (bewezen) gedraging van eiser niet het beboetbare feit van artikel 15 van het UB OB op.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen